Text Size

Vakbonden België: behoefte aan een offensief programma en strijdplan

De resultaten van de enquête “Noir Jaune Blues” (Le Soir, 9 januari) zijn vernietigend voor de zittende machten en hun instellingen. Voor 63% van de Belgen faalt het politiek systeem, 74% voelt zich in de steek gelaten door de elite en 80% is van oordeel dat de politieke leiders de macht hebben afgestaan aan de financiële wereld. De Belg vertaalt dat ongenoegen echter niet (meer) naar sociaaleconomische strijd, maar plooit zich terug op zichzelf en ontwikkelt racistische vooroordelen. Hoe komt dat? Wij denken hoofdzakelijk doordat de bekende linkse partijen en de vakbonden geen begeesterend alternatief aanbieden.

 

Betoging van 7 oktober 2015

 

Artikel door Eric Byl uit ons Belgische zusterblad ‘De Linkse Socialist’

Verdelen om te heersen, lijkt voorlopig te werken

De enquête werd afgenomen bij 4.700 personen verspreid over heel België. Van de ondervraagden voelt 77% zich niet langer thuis in eigen land, 64% vindt dat vreemdelingen komen profiteren van ons sociaal systeem, 63% heeft schrik van de toevloed aan vreemdelingen ‘omdat het moslims zijn.’ Verdelen om te heersen, lijkt voorlopig te werken. Een enquête is een momentopname. Ze werd afgenomen in de eerste weken van 2017. De uitslag had er totaal anders uit gezien als ze was afgenomen in het najaar van 2014, toen de vakbonden via hun actieplan een perspectief op overwinning door strijd tegen de regering-Michel aanboden. Maar sindsdien strijden we met vakbondsleiders die er niet veel goesting in hebben en rotte compromissen afwisselen met regelrechte nederlagen. Blijf dat als vakbondsafgevaardigde maar eens uitleggen op de werkvloer.

Onze vakbondsleiders zijn zodanig vastgeklonken aan de instellingen en overlegstructuren, dat ze die maar niet kunnen loslaten, ook als daar niets meer te halen valt. Zelfs met de overwinning in bereik, toen de regering-Michel eind 2014 wankelde, gaven ze het initiatief uit handen. Dat de arbeidersbeweging haar alternatieven doordrukt, lijkt voor de vakbondsleiders al even onaanvaardbaar als voor het patronaat en haar politici. Geen wonder dat ook bij veel werknemers het idee dat we zelf in actie moeten gaan om onze rechten af te dwingen slechts geleidelijk opnieuw ingang vindt.

Niet wachten op volgende verkiezingen

Intussen blijven de vakbondsleiders ons doorverwijzen naar de volgende verkiezingen, naar “bevriende politici” die in de ogen van velen al lang het vertrouwen verloren zijn. Volgens “Noir, Jaunes, Blues” rest de politieke partijen nog slechts het vertrouwen van 9%! Als er dan toch politici zijn die enthousiasme opwekken, zoals Bernie Sanders in de VS, Jeremy Corbyn in het Verenigd Koninkrijk en Unidos Podemos in Spanje, blijft de steun vanuit de arbeidersbeweging beperkt tot een minderheid van linkse bonden, terwijl de meerderheid ons de weg blijft uitsturen van het minste kwaad, van Clinton in de VS, van Smith in het Britse Labour, van de Spaanse PSOE of van SP.a en Groen of PS en Ecolo in België.

Resultaat: niet de vakbonden en al zeker niet de traditionele linkse partijen, maar de populist Trump kan zich profileren als diegene die de multinationals durft aanpakken. Niet de vakbonden of links, maar in Nederland werpt Wilders zich op als degene die de pensioenleeftijd zal terugbrengen naar 65 jaar. Niet de vakbonden of links, maar Marine Le Pen en Nigel Farage pretenderen de soevereine gemeenschap te willen bevrijden van het neoliberale juk van de EU. Dat het hier om “populisten” gaat, maakt steeds minder indruk. Krijgt niet iedereen die niet strikt het neoliberale afbraakbeleid volgt, sowieso het etiket “populist”? Gedragen de traditionele politici zich niet zelf als regelrechte populisten?

In plaats van het initiatief over te laten aan rechtse populisten door zich achter politici van het minste kwaad te scharen, zouden de vakbonden opnieuw een offensief programma moeten uitwerken dat enthousiasme kan opwekken, gekoppeld aan een strijdplan om dat programma ook in de praktijk te realiseren.

Offensief programma

In een redactioneel commentaar over de crisis van links maakt Beatrice Delvaux van Le Soir, waar we het zelden mee eens zijn, de terechte opmerking dat er zich geen probleem stelt over de waarden die verdedigd moeten worden (solidariteit, emancipatie, verdediging van de mensenrechten etc.), maar over het beleid en het programma om dat te realiseren en over het identificeren van de personen die ‘verandering’ en ‘progressief populisme’ aandurven. “Om te strijden tegen een trieste passie, moet men in staat zijn een andere passie aan te bieden”, citeert ze Spinoza. Ze besluit dat men steeds terug moet naar de bron om zijn weg opnieuw te vinden.

Voor de vakbonden is die bron de strijd voor de 8-urendag die in ons land op 8 juni 1921 gestemd werd, of ook de strijd voor het algemeen stemrecht. Het Plan van de Arbeid waarmee de Belgische Werklieden Partij op kerstdag 1933 uitpakte – een plan van nationalisaties en socialisaties om de economie te oriënteren op het algemeen welzijn – wekte een enorm enthousiasme op. De BWP dumpte het in 1935 om toe te treden tot de regering van bankier Van Zeeland, maar het heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de grote staking van 1936 waarmee zes dagen betaald verlof werd afdwongen, een loontoeslag van 8%, een minimumloon en de 40-urenweek in een aantal sectoren. In 1954 en 1956 werkte het ABVV een alternatief uit om de wurggreep van de financiële holdings op de economie te bestrijden via doorgedreven overheidsinterventie en structuurhervormingen. Het was geen socialistisch programma, niet eens antikapitalistisch, maar het wekte wel voldoende enthousiasme op voor een historische krachtmeting tijdens de staking van de eeuw in ’60 – ’61.

In “Waarheen gaat Frankrijk?” (1936) benadrukt Leon Trotski dat een algemene staking een ernstige zaak is, die je niet zomaar om de haverklap uitroept, maar integendeel een precieze voorbereiding vereist. Het jongste Interprofessioneel Akkoord dat in de Groep van 10 werd uitgewerkt, is ruim onvoldoende. Het zal niet de sociale rust brengen waarop het patronaat en de vakbondsleiders hopen. Maar het kan wel ademruimte bieden voor syndicalisten om ernstig werk te maken van een alternatief dat wel beantwoordt aan de concrete situatie waarmee arbeiders en hun gezinnen geconfronteerd worden.

Wat kunnen de speerpunten zijn van een dergelijk alternatief?

Voortdurend worden werknemers met elkaar in concurrentie gezet om de lonen en arbeidscondities te ondermijnen. De extra winsten die dat oplevert worden steeds meer uitgekeerd aan de aandeelhouders of opgesoupeerd aan duizelingwekkende vergoedingen voor het management. De enige maatregel die daar echt kan aan verhelpen, is een algemene werktijdverkorting.

Op verschillende plaatsen, in verschillende landen, wordt geëxperimenteerd met de invoering van een 6-urendag aan het loon van 8 uur. Qua bestrijding van armoede en werkloosheid, voor gendergelijkheid, dienstverlening, kwaliteit van het werk en arbeidsvreugde, levert dat spectaculaire voordelen op, maar voor het patronaat en hun politieke lakeien heet dat ‘economische nonsens’, net zoals de invoering van de 8-urendag destijds. Een Trump, een Wilders, een Le Pen of een Farage wekken de indruk dat ze zich door zulke argumenten niet laten weerhouden. Maar ter linkerzijde lijkt het wel alsof men niet weet dat de kloof tussen arm en rijk historische proporties aanneemt en dus … stellen diegenen die pleiten voor een 6u-werkdag voor om de meerkost weeral te verhalen op de sociale zekerheid die nu al leegbloedt.

Wij denken dat de middelen voor een arbeidsduurverkorting moeten gehaald worden uit de winsten en de vergoedingen voor het management, maar dat vereist wel een stok achter de deur: de dreiging met inbeslagname en nationalisatie voor patroons en aandeelhouders die niet mee willen.

Een probleem om jongeren te motiveren? Dat is logisch, elke sociale afbraak gaat ten koste van hun lonen en werkzekerheid. Waarom lanceren de vakbonden geen campagne voor een verplicht contract van onbeperkte duur na 3 maand met het verbod om de onzekere contracten aaneen te rijgen? Terwijl jongeren gevangen zitten in onzekerheid worden ouderen, invaliden, werklozen ‘geactiveerd’ en de pensioenleeftijd opgetrokken. “Alles dat oren en poten heeft, moet aan de slag,” vertaalde de ‘linkse’ politica Monica De Coninck dit afbraakbeleid nog niet zolang geleden. Waar blijft de campagne voor ‘werkbaar werk’ die ouderen een verdiende rust garandeert op een moment dat ze nog over de gezondheid beschikken om daar ook van te genieten? Het terugschroeven van de pensioenleeftijd en een wettelijk pensioen dat het behoud van de levensstandaard garandeert, moeten deel uitmaken van zulk een begeesterend project.

Met een dergelijk project, bediscussieerd in de werkplaatsen en op vakbondsmeetings en actief gepromoot op publieke plaatsen, zou de modale Belg zich niet meer terugplooien op zichzelf en vooroordelen absorberen, maar opnieuw gemobiliseerd kunnen worden voor sociale, economische en politieke strijd.