Text Size

Opkomst en verval van de Amerikaanse groei. Kapitalisme: een falend systeem

Er is een nieuw Engelstalig boek ‘The Rise and Fall of American Growth’ waarin de neerwaartse trend van de Amerikaanse economie en de beperkingen van het volledige kapitalistische systeem worden geanalyseerd. Van de jaren van forse groei tot de trage groei en de stagnerende lonen vandaag, over de obscene rijkdom aan de top en de bedrijven die op geldbergen zitten, tot het falen van dit systeem om volledig gebruik te maken van de nieuwe technologie. Alles wijst op de noodzaak van socialistische verandering.

 

riseandfall

Recensie door Peter Taaffe, secretaris CWI

 

De titel van het indrukwekkende boek van Robert J Gordon vat goed samen wat hij wil zeggen over het verleden en de toekomstperspectieven voor het kapitalisme: “The Rise and Fall of American Growth.” Als hij gelijk heeft – en wij denken van wel – dan zien de vooruitzichten er voor de Amerikaanse, en dus voor de wereldeconomie aangezien de VS-economie nog steeds de grootste is, er niet goed uit. Net als andere kritische boeken zoals die van Jeremy Rifkin of Paul Mason wordt gewezen op het falen van dit systeem om te voorzien in werk, welvaart en een gevoel van welstand en optimisme in de toekomst, zowel in de VS als de rest van de wereld. De prognose die Leon Trotski in het verleden naar voor bracht over Groot-Brittannië toen hij stelde dat de “religie van kapitalistische vooruitgang” definitief voorbij was, geldt vandaag evenzeer of misschien zelfs meer voor de VS.

Dit boek behandelt de huidige economische situatie niet op een directe wijze, maar is er wel organisch mee verbonden. Er wordt uitgegaan van de vaststelling dat de wereld in het beste geval een lange periode van stagnatie zal kennen. Een herhaling van de crisis in 2007-08 is mogelijk, de voorschokken in China en op de beurzen wijzen daar al op. In deze situatie zoeken kapitalistische instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF) wanhopig naar maatregelen om dit te vermijden. De wereldwijde groeiverwachtingen werden drastisch naar beneden herzien, de eerdere IMF-prognose van een groei van 3,5% dit jaar werd al herzien naar 2,5% en het kan nog lager gaan. Het IMF heeft de economische vooruitzichten omschreven als de “nieuwe middelmatigheid” van aanhoudende lage groei met de bijhorende economische, sociale en politieke gevolgen. Dit is ook een centraal thema in het boek van Gordon. Als de wereldwijde groei tot 2% terugvalt, is de wereld technisch gezien in recessie, laten de economische ‘experts’ ons weten.

Om dit te vermijden, eist Christine Lagarde van het IMF enerzijds ‘groei’ door het versneld invoeren van een reeks anti-besparingsmaatregelen door regeringen. Maar anderzijds blijven Lagarde en het IMF harde besparingen opleggen in Griekenland en elders. De Griekse regering gaat nu over tot een aanval op de pensioenen, tot voor kort de laatste reddingsboei voor miljoenen verarmde werkenden en hun gezinnen. De regering stemde in met een vernietigend privatiseringsprogramma waarbij luchthavens en zeehavens verkocht worden aan internationale financiële parasieten. Lagarde stelt ondertussen de ‘normen van de internationale instellingen’ in vraag en eist van de VS in het bijzonder dat het minimumloon zou stijgen. Ze geeft zelfs kritiek op Duitsland omdat het geen beleid van ‘fiscale expansie’ voert.

Met de bekendmaking van de Panama Papers – miljoenen documenten over meer dan 200.000 bedrijven – weerklinkt steeds meer protest tegen de oprukkende ongelijkheid. Het bedrog en de corruptie van de burgerij worden gesymboliseerd door figuren als de Britse premier David Cameron die verantwoordelijk is voor een recordgroei van het aantal armen en mensen dat afhankelijk is van voedselbanken, terwijl hij en zijn regering van miljonairs tegelijk denkt dat er ‘niets fout’ is met het wegzetten van miljarden in geheime offshore constructies. Zoals de Amerikaanse comedian Chris Rock ooit stelde: “Als de armen wisten hoe rijk de rijksten juist zijn, dan zouden er straatrellen zijn.” Cameron is niet anders dan de corrupte oligarchen in de ‘onderontwikkelde’ wereld die verantwoordelijk zijn voor het vertrek van 1 triljoen dollar per jaar vanuit de armste landen naar de belastingparadijzen langs wat de Financial Times ‘financiële vluchtroutes’ noemt.

Nooit geziene ongelijkheid

Een nieuwe crisis zal de woede van de massa’s tegenover de onmetelijke ongelijkheid verder aanwakkeren. Deze ongelijkheid is een wereldwijd fenomeen. Het protest ertegen zal socialisme terug op de agenda zetten. Gordon gaat dieper in op de ontwikkeling van de ongelijkheid, voor de meesten is dit ondertussen geen nieuws. Maar de cijfers die hij naar voor brengt, zijn opmerkelijk. In tegenstelling tot de periode na 1945, de periode van de zogenaamde ‘grote samenvoeging’ waarbij de verschillen tussen de top en de bodem van de samenleving groot waren maar niet zo groot als vandaag, kennen we nu een ongelijkheid die eerder aan de Grand Canyon doet denken.

Gordon merkt op: “Zelfs binnen de 1% rijksten is de aangroei van rijkdom een pak sneller voor de rijkste 0,1% en de 0,01%.” Deze 0,01% zijn onder meer de 62 rijksten ter wereld die samen goed zijn voor een zelfde inkomen als de armste helft van de wereldbevolking, goed voor 3,5 miljard mensen. Een van de manieren waarop de Amerikaanse en de andere burgerij in andere landen hiermee wegkomen, bestaat uit de zwakte van de vakbonden in de VS en de laffe opstelling van een groot deel van de vakbondsleidingen in de rest van de wereld. Die bleken niet in staat om iets in te brengen tegen de aanhoudende aanvallen op de arbeidersklasse.

Zelfs de gebruikte taal wijst op de onderliggende klassentegenstellingen die steeds bestaan hebben in de VS, ook al probeerde de heersende klasse tot voor kort te ontkennen dat er een arbeidersklasse in dit land bestond. Iedereen was plots deel van de ‘middenklasse’. Gordon beschrijft de ‘Detroit consensus’ van eind jaren 1940. Dat was een akkoord tussen ‘arbeid en kapitaal’ waarbij er “erg progressieve belastingen bestonden met een tarief van 90% voor de allerhoogste inkomens in de jaren 1940 en 1950, een signaal dat dergelijke hoge inkomens ‘onaanvaardbaar’ waren.”

Dit ging regelrecht in tegen de neoliberale ‘Washington consensus’ van begin jaren 1980, een doctrine die onder president Reagan opgang maakte. Als gevolg van het neoliberaal en asociaal programma waar Reagan verantwoordelijk voor was, stegen ook de ‘compensaties’ voor topmanagers steeds verder: van 20 keer een gemiddeld loon in 1973 tot 257 keer zo’n loon in 2007 toen een gemiddelde CEO 10,5 miljoen dollar per jaar ‘waard’ was.

Een opmerkelijk voorbeeld was de topman van het bedrijf Target. Hij werd in mei 2014 na een massaal schandaal van gehackte creditcards vervangen. Maar eerst kreeg hij wel een pensioenpakket van 47 miljoen dollar, ongeveer 1000 keer zoveel als wat gewone werkenden bijeengespaard krijgen via het pensioenplan van het bedrijf. Gordon merkt ook op: “Het bedrijf Caterpillar is een toonbeeld geworden voor groeiende ongelijkheid. Er werden stakingen gebroken om een systeem op te leggen waarbij nieuwe werkenden slechts de helft van het loon van oudere werkenden krijgen, ook al behoren ze tot dezelfde vakbond. Tegelijk was er tussen 2011 en 2013 een stijging van de vergoeding van de CEO van Caterpillar met 80%. Zijn mantra is ‘we kunnen nooit genoeg winst maken’.” Deze enorme ongelijkheid waarbij de reële lonen drastisch dalen, zorgt voor een daling van de ‘vraag’. We hebben er meermaals op gewezen dat dit de problemen van het kapitalisme enkel erger maakt.

Industriële revoluties

Het centrale thema van het boek van Gordon – waarbij de analyse zich toespitst op de VS – is dat het hedendaagse kapitalisme niet langer in staat is om de productiemiddelen drastisch te veranderen met behulp van de technologische middelen. In wat Gordon en anderen de ‘speciale eeuw’ noemen – van 1870 tot 1970 – was er een sterke toename van de Amerikaanse groei, aangewakkerd door revolutionaire ontdekkingen die voortkwamen uit de eerste en tweede industriële revolutie van ruw geschat 1760-1840 en 1870-1914. Na die ‘speciale eeuw’ volgde in het beste geval een beperkte groei die gepaard ging met aanhoudend lage productiviteitsgroei. Ook in de nabije toekomst gaan alle vooruitzichten in die richting.

De schokkende afname van de productiviteitsgroei, een belangrijk onderdeel van de analyse van Gordon, wijst op een diepe crisis van het kapitalisme. “Elke vorm van economie gaat in de laatste instantie over een economie van tijd”, stelde Marx. De enige rechtvaardiging van het kapitalisme – de ‘missie’ ervan – is dat het deze taak in het verleden vervulde door de productiviteit op te voeren met de ontwikkeling van de productiekrachten. Maar zoals de auteur aantoont, is het kapitalisme daar niet langer toe in staat. Gordon erkent dat er sinds het einde van de ‘grote sprong voorwaarts’, die volgens Gordon in de jaren 1970 op zijn einde kwam, wel af en toe groeistoten en toenames van productiviteit geweest zijn – onder meer tijdens de dotcom zeepbel die begin jaren 2000 barstte. Gordon legt op overtuigende wijze uit dat deze opstoten van groei van korte duur waren, vaak beperkt tot slechts enkele sectoren en niet houdbaar op langere termijn.

Gordon is geen marxist maar komt op empirische wijze tot dezelfde conclusies die wij in de jaren 1990 trokken. Toen stelden sommigen dat de ‘digitale revolutie’ en de nieuwe technologie zorgden voor een ‘nieuw economisch paradigma.’ Ze stelden dat dit zou leiden tot een langere periode van groei voor het kapitalisme. Als antwoord op dit idee schreven we in juni 1999: “De gemiddelde productiviteitsgroei ligt lager dan in de jaren 1980, en toen lag die groei al lager dan in de structurele groei van het kapitalisme tussen 1950 en 1975.” (New Technology and Globalisation: can a capitalist slump be avoided, Socialism Today). Dit is in essentie wat Gordon uitlegt in zijn boek. We stelden dat nieuwe technologie beperkt was tot enkele sectoren, zoals informatietechnologie, en dat het niet in staat was om een algemene omvorming van de productie te bewerkstelligen. Het kon niet dezelfde effecten hebben als de eerste en tweede industriële revoluties.

Dit wordt bevestigd als Gordon een vergelijking maakt met het verleden: “Het jaar 1870 betekende voor het moderne Amerika een dageraad. Over de zes volgende decennia veranderde elke onderdeel van het leven op revolutionaire wijze. Tegen 1929 was er overal in stedelijk Amerika elektriciteit en was zowat elke stedelijke concentratie verbonden met netwerken, waarbij het met de buitenwereld verbonden was via elektriciteit, gas, telefoon, stromend water en riolering. Tegen 1929 was het paard zo goed als verdwenen uit de stedelijke straten, de verhouding van het aantal motorvoertuigen tegenover het aantal huishoudens steeg tot 90%. Deze enorme verandering begon traag, maar het ritme versnelde na 1900 toen de elektriciteit en de motorvoertuigen snel opgang maakten. Elektrisch licht, de eerste betrouwbare verbrandingsmotor en draadloze transmissie werden alle drie uitgevonden in een periode van drie maanden eind 1879. Binnen de tien jaar was ook de telefoon uitgevonden. De tweede industriële revolutie was op komst en zou de wereld onherkenbaar veranderen.”

Er waren ook grote veranderingen op vlak van voedsel met een betere productie en distributie ervan. Voorheen waren er zelfs in de grote open ruimtes van de VS verschillende stedelijke ‘nachtmerries’ die deden denken aan die in Europa zoals Marx ze beschrijft in het hoofdstuk over de arbeidsdag in ‘Het Kapitaal.’ Op vlak van ellende moesten New York en Chicago niet onderdoen voor Londen. Het leidde zelfs tot een daling van de gemiddelde lengte van mensen in de VS in de 19de eeuw.

Gordon haalt de beschrijving van Upton Sinclair over de vleeshandel in Chicago aan. Deze beschrijving in het monumentale ‘The Jungle’ illustreert de helse voorwaarden van veel toenmalige Amerikaanse arbeiders. In feite biedt elk hoofdstuk in dit uitgebreide boek van Gordon details en inzichten in de ontwikkeling van de Amerikaanse samenleving, de arbeidersbeweging en het ritme van historische ontwikkeling.

Maar omdat Robert J Gordon geen marxist is, legt hij nooit echt uit wat de materiële basis is voor deze ‘revoluties’ en waarom ze op bepaalde ogenblikken plaatsvonden. Het was de ontwikkeling van de kapitalistische industrie die de plattelandsbevolking en migranten naar de steden aantrok. Samen met de winsthonger van de kapitalisten en als gevolg daarvan ook de intensieve concurrentie tussen hen, leidde dit tot de zoektocht naar nieuwe uitvindingen en hun toepassing. Zoals Gordon aantoont, duurde het aanzienlijke tijd vooraleer deze uitvindingen door kapitalisten werden toegepast. Pas tegen het einde van de ‘speciale eeuw’ hadden zowat alle mensen toegang tot elektriciteit en auto’s. Vergelijk dit met vandaag. De eerste smartphone werd in 2007 verkocht, nu zijn er al 1,5 miljard van in gebruik.

Bovendien is Gordon een kapitalistische econoom. Hij kan de historische ontwikkeling van het systeem wel schetsen, maar is niet in staat om voorbij de beperkingen van het kapitalistische privaat bezit van de productiemiddelen en de natiestaat te kijken. Hij heeft geen volledige uitleg over waarom er obstakels zijn om nieuwe technologie vandaag volledig toe te passen, zelfs indien hij deze obstakels empirisch heel goed beschrijft.

Van groei naar vertraging

De winsthonger – “de geeuwhonger van de weerwolf naar meerarbeid,” zoals Marx het omschreef – is de drijvende kracht van het kapitalisme. Het zette aan tot de zoektocht naar nieuwe winstgevende uitvindingen en de toepassing ervan. De situatie na de ‘speciale eeuw’ was helemaal anders. Vanaf de jaren 1970 slaagde het kapitalisme er niet in om de spectaculaire economische verwezenlijkingen van de vorige periode te herhalen, zeker niet de verwezenlijkingen van tussen 1950 en 1975.

De zaden voor de vernietigende economische crisis van 2007-08 werden vanaf 1975 gelegd en kwamen tot uiting in de ‘tendens tot depressie’ die er het resultaat van was: algemeen lagere groei en krimp in productieve sectoren, in het bijzonder in de industrie. Gordon geeft aan dat de Amerikaanse industrie nu nog maar goed is voor ongeveer hetzelfde percentage van het bruto binnenlands product als in Groot-Brittannië: ongeveer 10%. Dit ging gepaard met een drastische ondermijning van de jobs, onder meer via delokalisatie, en een afname van de levensstandaard.

In het boek worden de indrukwekkende verworvenheden van de Amerikaanse arbeidersklasse gedetailleerd beschreven. Deze verworvenheden werden zelfs in de tweede helft van de jaren 1930, na de grote depressie, afgedwongen: “De reële lonen stegen voor 1940 sneller dan de output per uur – dat is de arbeidsproductiviteit –  maar nadien gebeurde dit trager, zeker na 1980.” Hij erkent dat de opgaande curve van de levensstandaard gestopt werd door de grote depressie maar zich stilaan herstelde in de tweede helft van de jaren 1930. In de 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog “werden uitkeringen veralgemeend voor de volledige bevolking. De arbeidstijd nam af van gemiddeld 60 uur per week naar een normale 40-urenweek.” Hij merkt op dat er vroeger noch later “zoveel elementen samenkwamen waarbij de levensstandaard zo snel steeg en de menselijke omstandigheden compleet veranderden.”

Gedurende millennia betekende de economische samenlevingsvorm dat de overgrote meerderheid van de bevolking zich moest beperken tot basisbehoeften als voedsel en onderdak. Tussen de val van het Romeinse Rijk en de Middeleeuwen was er geen substantiële verbetering. Daarna was er een gestage verandering: “Het inkomen per capita in Engeland verdubbelde tussen 1300 en 1700 – het ritme was zo traag dat het amper opgemerkt werd. Het leven voor de meeste mensen was  enorm beperkt.”

Gordon stelt: “De omvang van verandering door de moderne gemakken in het Amerikaanse huis samen met de transportrevolutie die mogelijk werd door de verbrandingsmotor, zorgde voor een radicale verbetering van de levensstandaard doorheen een reeks veranderingen die slechts eenmaal konden gebeuren.” Deze omvorming was zo groot en zo omvangrijk dat het zou leiden tot de “hoogste levensstandaard in de menselijke geschiedenis.” Toekomstige technologische verbeteringen zouden verbleken bij wat toen gebeurde. De latere kwalitatieve veranderingen waren op sommige vlakken verregaand – denk maar aan de informatietechnologie – maar veranderden het leven niet zo hard als de eerdere veranderingen. Dit wordt samengevat in een retorische vraag: “Wat zou je eerst opgeven, je iPhone of je toilet met doortreksysteem?”

De vertraging in de productiviteitsgroei wordt weerspiegeld in een afname van het inkomen van de Amerikaanse gezinnen, stelt Gordon. In 2014 was het mediane gezinsinkomen meer dan 50.000 dollar. Indien de productiviteitsgroei van voor de jaren 1970 was blijven duren, was dit meer dan 97.000 dollar geweest. Gordon trekt de conclusie dat de “afname in productiviteitsgroei met bijna de helft een weerspiegeling is van de neergang van de productiviteitsstimulus van de grote uitvindingen van de tweede industriële revolutie. De opvolger ervan, de ICT-gerichte derde industriële revolutie, was voldoende sterk om een heropleving te veroorzaken gedurende het decennium 1995-2004. Maar de kracht van de ICT-gerelateerde vernieuwingen om de productiviteitsgroei te stimuleren, was na 2004 al uitgewerkt. In het decennium 2005-2014 bedroeg de gemiddelde productiviteitsgroei slechts 1,3% en tegen eind 2014 was het amper 0,6% op jaarbasis.”

Hij verwijst naar een werk van een andere econoom, Robert Solow: “We zien het computertijdperk overal, behalve in de productiviteitsstatistieken.” Dit zijn niet gewoon droge statistieken, ze helpen de grondige veranderingen in de omstandigheden van de Amerikaanse bevolking te begrijpen. Dit is de achtergrond voor de revolte die vandaag in de VS plaatsvindt, een revolte die gesymboliseerd wordt door het klassenongenoegen achter de campagne van Bernie Sanders. Niet alleen de werkende klasse maar ook delen van de middenklasse worden hierdoor geraakt. Hoe de zaken ook lopen in de presidentsverkiezingen, het zal nooit meer als voorheen zijn.

Studenten gaan gebukt onder een collectieve schuldenberg van 1,2 triljoen dollar, sommigen moeten 400 tot 500 dollar per maand afbetalen. Ouders moeten hun kinderen helpen om door het hoger onderwijs te geraken, zij zijn kwaad omdat de voorwaarden en vooruitzichten voor hun kinderen er slechter uitzien. De massale woede wordt verscherpt door het besef van de enorme voordelen die de nieuwe technologie kan bieden terwijl het toch onmogelijk blijkt om hiermee het lot van de werkenden en hun levensstandaard te verbeteren. Maar het hoeft niet zo te zijn.

Technologie inzetten

Kapitalistische economen zijn, zeker wat hun benadering van nieuwe technologie en de toepassing ervan betreft, ruwweg verdeeld in drie groepen. Er zijn de techno-optimisten die enorme voordelen zien door de toepassing van nieuwe technologie binnen het kader van het kapitalisme. Zij denken dat de mensheid zal bevrijd worden van afstotende taken en een rijker leven zal kennen met meer nadruk op kunst en cultuur. Vervolgens zijn er de pessimisten die massale werkloosheid verwachten als gevolg van de technologische vooruitgang. Economen als Robert J Gordon nemen een tussenpositie in. Zij stellen dat substantiële en snelle groei voorbij is en dat we ons slechts aan beperkte ontwikkeling en economische stagnatie mogen verwachten.

Er is ongetwijfeld een reële mogelijkheid dat de toepassing van nieuwe technologie – die door de toepassing van robotica al een grote impact heeft op werkenden – kan leiden tot een toenemende werkloosheid in wat voorheen ‘middenklasse-jobs’ waren. Dit is een factor die bijdraagt aan het ontstaan van massaal verzet tegen het kapitalisme, zoals al bleek in de opkomst van de Occupy-beweging en nu de verdieping van de antikapitalistische stemming. Het argument van de ‘optimisten’, dat er jobs zullen bijkomen die de plaats innemen van de door de toepassing van nieuwe technologie verloren gegane jobs, is wel erg optimistisch.

Het klopt dat de landbouwarbeid werd vervangen door de creatie van miljoenen industriële jobs in de spectaculaire opgang van het kapitalisme. Maar op basis van het huidige door crisis getroffen kapitalisme is het erg onwaarschijnlijk dat dit vandaag opnieuw zou gebeuren. Er zijn natuurlijk wel nieuwe jobs in de sector van de robotica en in het ontwikkelen en onderhouden van nieuwe technologie. Maar het is onwaarschijnlijk dat er voldoende dergelijke jobs zullen zijn om een toename van de werkloosheid te vermijden. Andere trends binnen het kapitalisme zullen dit versterken, zoals Gordon erkent. Zo is er de de afname van de levensstandaard die leidt tot een dalende ‘vraag’. Dit betekent dat er geen echt productieve mogelijkheden zijn waarin kapitalisten kunnen investeren. De groeiende winsten leiden tot een spiraal van neergang. Deze stagnatie van het kapitalisme komt tot uiting in de 7 triljoen dollar die momenteel gewoon in handen van de grote banken en monopolies is zonder dat er iets mee wordt gedaan.

Anderzijds vergist Gordon zich als hij beweert dat er geen “grote uitvindingen” meer zijn die kunnen leiden tot economische revoluties zoals in het verleden en dat wij de situatie bijgevolg niet fundamenteel kunnen veranderen. Er is voldoende nieuwe technologie – met onder meer robotica, ontwikkelingen in gezondheidszorg, groene technologie, … – waardoor een kortere werkweek mogelijk wordt en waarmee het ook mogelijk is om de mensheid te bevrijden van armoede, oorlog, ziekte en ecologische rampspoed.

Maar dit kan enkel gerealiseerd worden indien de productiekrachten bevrijd worden doorheen een socialistische revolutie. Er zijn redenen genoeg om te denken dat het op basis van een socialistische reorganisatie van de samenleving mogelijk is om tot even of zelfs meer spectaculaire resultaten te komen als bij de opkomst van het kapitalisme. Democratisch socialisme op wereldvlak is het echte antwoord op de kwesties die in het boek van Gordon aan bod komen en op de vraag hoe we de technologische mogelijkheden in dienst van iedereen kunnen inzetten.

Beperkingen van dit systeem

Het programma van Gordon voor het hier en nu is erg beperkt. Zoals Thomas Piketty voor hem, beschrijft hij slechts de omvang van de ongelijkheid. Uiteindelijk aanvaardt hij deze ongelijkheid omdat hij niet pleit tegen het kapitalistisch bezit en de controle. Hij houdt het op beperkte reformistische maatregelen naar het voorbeeld van wat Franklin D Roosevelt met zijn New Deal in de jaren 1930 deed.

Gordon wijst op het cruciale karakter van die maatregelen van Roosevelt als voorwaarde voor de ‘grote stap voorwaarts’ in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Dit gebeurde op basis van staatsinterventie, investeringen in infrastructuur, het minimumloon, … Maatregelen die volgens het IMF moeten herhaald worden. Het gaat regelrecht in tegen het huidige brutale besparingsbeleid. Samen met de toepassing van nieuwe technologie, waaronder de grootschalige toepassingen met plastic, was het mogelijk om in de VS, Europa en de rest van de wereld na de vernietigende oorlog een periode van groei te kennen.

Vandaag botst Gordon net als het IMF op de beperkingen van het kapitalisme. Ten tijde van de New Deal was het Amerikaanse kapitalisme met zijn bevoorrechte economische positie en zijn reserves in staat om ernstige staatsmaatregelen te nemen om de crisis te verzachten. Zelfs toen verloor dit beleid aan kracht en kwam er tegen 1938 een nieuwe ernstige neergang, deels veroorzaakt door een premature verhoging van de rentevoeten in 1937. De voorbereidingen op de oorlog doorkruisten de dreigende crisis en legden de basis voor de turbogroei van de VS en de wereldeconomie na de oorlog.

Vandaag zijn er veel meer obstakels voor een Keynesiaans beleid, zelfs in de VS is dit het geval onder meer door de enorme schuldenkater na de crisis van 2007-08. Alle schulden samen ter wereld zijn goed voor een bedrag van 200 triljoen dollar of drie keer zoveel als het wereldwijde BBP. Gelijk welke nieuwe stimulusmaatregelen, en dus toegenomen uitgaven voor de overheid, om de problemen van het kapitalisme op te lossen, zullen enkel leiden tot nog grotere schulden die wellicht nooit zullen terugbetaald worden. Dit kan de basis leggen voor een nieuwe financiële crisis met een ineenstorting zoals in 2007-08. Het wijst op de paniek onder burgerlijke economen en strategen als ze vandaag bereid zijn om dergelijke risico’s te nemen en als het IMF oproept tot meer ‘stimulusmaatregelen.’

De slechte staat van het wereldkapitalisme – opnieuw aangetoond door dit boek – vereist een grootschalig programma om de onderliggende problemen op te lossen, problemen die leiden tot een massale revolte van jongeren en werkenden zoals de gebeurtenissen in de VS, Frankrijk, Afrika, Latijns-Amerika en elders aangeven. Het echte programma van de burgerij voor de komende periode werd op 2012 op het Wereldeconomisch Forum in Davos naar voor gebracht door Tidjane Thiam van het bedrijf Prudential. Hij omschreef de minimumlonen in Europa als “een vijand van jongeren en vernietiger van jobs.” Het boek van Robert J Gordon biedt heel wat munitie om de enorme problemen van het kapitalisme aan te tonen. Enkel het socialisme, georganiseerd en democratisch beheerd door de werkende bevolking, zal het mogelijk maken om de voordelen van nieuwe technologie effectief te benutten.