Text Size

Het tijdperk van populisme... Van ongenoegen naar alternatief!

Als woorden beursgenoteerd waren, dan zou de koers van ‘populisme’ de afgelopen maanden ongetwijfeld fors gestegen zijn. Nadat 2016 gekenmerkt werd door wat gemakshalve “populistisch protest” genoemd wordt met zowel de Brexit als de verkiezing van Trump, ziet het er niet naar uit dat het ongenoegen over het establishment snel gaat liggen. De gevestigde politici proberen daarop in te spelen. Het leidt tot absurde situaties zoals in de Franse presidentsverkiezingen waar zelfs Macron, een voormalige minister en voormalig kaderlid van de zakenbank Rothschild, zich probeert op te werpen als een “positieve anti-establishmentkandidaat” of nog als een “centrum-populist.”

 

Artikel door Nicolas Croes

Crisis blijft maar doorgaan

Het is niet nodig om naar de pluche kamers van de jaarlijkse bijeenkomst van het Wereld Economisch Forum (WEF) in Davos te trekken om te weten dat de paniek groeit in de hoogste kringen. De toon op deze verplichte bijeenkomst voor grote bedrijfs- en regeringsleiders werd eens te meer gezet door het rapport van Oxfam over de ongelijkheid in de wereld. Het laatste rapport had als titel: “Een economie in dienst van de 99%.” Het legt onder meer uit hoe “de grootste bedrijven en de rijksten de ongelijkheid doen toenemen door het falende economische stelsel te benutten, belastingen te ontduiken, de lonen te verminderen en de inkomsten van de aandeelhouders te maximaliseren.” Het meest schokkende cijfer van het rapport blijft nazinderen: de 8 rijksten bezitten evenveel (429 miljard dollar) als de armste helft van de wereldbevolking.

Magdalena Andersson, de Zweedse minister van Financiën, verklaarde wel erg optimistisch: “Gelijkheid ligt op ieders lippen in Davos. Misschien wordt dit wel het nieuwe modewoord.” De algemeen-secretaris van de OESO (1), Angel Gurria, klonk daarentegen lichtelijk verontrust in zijn oproep aan de aanwezigen: “Jullie moeten belastingen betalen waar je winsten maakt. (…) Het tolerantieniveau [voor belastingontduiking] is spectaculair afgenomen. Dat komt door de crisis, maar ook omdat de staten geld nodig hebben.” Europees commissaris Pierre Moscovici (PS) zag het heel rooskleurig: “De tijd dat de multinationals konden doen wat ze wilden, is voorbij.” We zouden het graag zien gebeuren!

De reacties van verschillende spreekbuizen van het establishment lopen uiteen, maar ze vertrekken van dezelfde vaststelling: de traditionele instrumenten van de heersende klassen verliezen steeds meer autoriteit waardoor zich een probleem stelt. Van bij het begin van de economische crisis heeft het kapitalistische establishment alles uitgeprobeerd om erbovenop te geraken. Niets heeft gewerkt. Ondertussen kregen de politieke instrumenten van het establishment het zwaar te verduren. Er kwamen nieuwe spelers op het terrein en politieke instabiliteit werd het nieuwe normaal. Het klimaat van ontgoocheling over de gevestigde partijen is algemeen. De enige zekerheid is dat er geen zekerheden meer bestaan.

Heel wat deelnemers aan het WEF in Davos vrezen voor de toekomst. Op het WEF van 2016 had niemand een overwinning van de neen-stem in het referendum over de Brexit zien aankomen. Niemand had gedacht dat Hillary Clinton er niet in zou slagen om de 45ste president van de VS te worden. Vlak voor de opening van de topbijeenkomst in Davos klonk het dat de kloof tussen arm en rijk aan de basis lag van de Brexit en de overwinning van Donald Trump.

Dit is nog maar het begin

Geen enkele ernstige commentator durft te zeggen dat de onzekerheid snel zal verdwijnen en dat we zullen terugkeren naar ‘business as usual.’ In januari was er een rapport van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) waaruit blijkt dat er vorig jaar wereldwijd een forse toename was van strijd en protest. Dit wordt toegeschreven aan de context van economische en politieke onzekerheden. (2) De IAO merkt op dat 2016 ook nog gekenmerkt werd door “anti-besparingsprotest in Brazilië, betogingen tegen de verkiezing van Donald Trump in de VS en een toename van syndicale acties in Groot-Brittannië.” Volgens de IAO wijst het rapport op een groeiend risico van sociale agitatie in “zowat alle regio’s van de wereld.” De groeiende ongelijkheid wordt aangewezen als oorzaak van de nooit geziene verkiezingsresultaten. De conclusie van de IAO: het ongenoegen onder de werkende bevolking zal in 2017 enkel nog toenemen.

De gevestigde politici moeten daar rekening mee houden. Zo besloten de Franse en Duitse regeringen om maar één gewichtige vertegenwoordiger naar Davos te sturen: hun ministers van Financiën Sapin en Schäuble. Beide regeringen vreesden negatieve effecten op de publieke opinie indien president Hollande of kanselier Merkel aanwezig waren. Hun deelname aan de hoogmis van de kapitalistische elite werd als gevaarlijk gezien met het oog op de aanstaande verkiezingen.

Het verraad van de sociaaldemocratie

Nog niet zo lang geleden leek het politieke toneel relatief stabiel. In Noord-Amerika en Europa wisselden de grote gevestigde partijen elkaar regelmatig af in de regeringen, maar fundamenteel voerden ze allemaal hetzelfde beleid. Er waren verschillen tussen ‘linkse’ en rechtse regeringen, onder meer rond ethische kwesties als euthanasie of het homohuwelijk, maar de neoliberale dogma’s van liberaliseringen en privatiseringen werden algemeen gedeeld. Enkel het ritme van de maatregelen leek een punt van discussie, de maatregelen zelf niet.

Ter ‘linkerzijde’ werden de jaren 1990 gekenmerkt door de ‘derde weg’ van de sociaaldemocratie. Dit werd verpersoonlijkt door de draai naar rechts van Labour onder Tony Blair. Volgens ‘iron lady’ Margaret Thatcher was die omvorming van Labour tot New Labour haar mooiste verwezenlijking. De omvorming van de sociaaldemocratie tot een ‘sociaal-liberalisme’ was mogelijk omwille van de context van de val van het Oostblok in een periode van economische groei. Het kapitalisme leek almachtig en onbetwist. Een aantal gewone werkenden werd in die tijdsgeest meegesleept: in hun pauzes bespraken ze onder collega’s mogelijkheden om zelf ook op de beurs te spelen en aandeelhouder te worden.

Eind jaren 1990 was de sociaaldemocratie, al dan niet in coalitie, aan de macht in 15 van de toen nog maar 17 leden van de Europese Unie. De sociaaldemocratie ging uit van het dogma dat economische groei uiteindelijk iedereen ten goede zou komen. De PS (Frankrijk), SPD (Duitsland), New Labour (Groot-Brittannië) en anderen voerden een beleid van tegenhervormingen met aanvallen op de arbeidsomstandigheden en lonen (denk maar een de 1-eurojobs en andere maatregelen van loonmatiging in Duitsland) naast aanvallen op de werklozen. Onder de kiezers maakte de hoop plaats voor ontgoocheling, frustratie en woede.

Gevraagd naar de redenen voor de neergang van de sociaaldemocratie (of meer algemeen ‘centrumlinks’) wees Ania Skrzypek, politicoloog van de Europese Stichting voor Progressieve Studies, op verschillende factoren: “een obsessie voor competitiviteit, een Europa waaraan geen sociale dimensie werd gegeven, leiders die zich verstoppen achter technocratisch woordgebruik en wie het aan politieke moed ontbreekt. Als er vandaag aan burgers gevraagd wordt wie verantwoordelijk is voor de crisis na 2008 zullen velen zeggen dat dit het systeem was waarvoor de sociaaldemocratie mee verantwoordelijk was en dat mee gered werd door hen.”

Rechtse populistische partijen en formaties spelen daarop in. Zoals de Franse onderzoeker Luc Rouban (Sciences-Po en CNRS) opmerkte: “Ze trekken een traditioneel links publiek aan dat zich in de steek gelaten voelt.”

Is een populistische en nationalistische terugval onvermijdelijk?

Midden december toonde de Duitse publieke omroep een reportage over het Ruhr-gebied, ooit een bakermat van industrialisering, van de arbeidersbeweging en van de sociaaldemocratie. Het is vandaag een van de meest achtergestelde gebieden in Europa: één op de vijf is er afhankelijk van uitkeringen. Peilingen geven aan dat de extreemrechtse partij Alternative für Deutschland (AfD) er in mei 2017 een doorbraak zal maken in de regionale verkiezingen.

In handen van het establishment leidt dit soort feiten vooral tot arrogantie en neerbuigendheid. Zie maar – roepen de technocraten, krantencommentatoren, politici en andere verdedigers van het politieke status quo – tot wat kritiek op het beleid van de Europese Unie leidt! Zie wat het resultaat is van de klaagzang over hogere belastingen en andere besparingsmaatregelen! Voor hen komt verzet tegen de gevestigde politiek neer op het ondersteunen van het meest enge nationalisme. Vandaar het amalgaam dat gemaakt wordt van Donald Trump, Bernie Sanders, Jean-Luc Mélenchon, Podemos, de Brexit, de Italiaanse Vijfsterrenbeweging, Marine Le Pen, … Eigenlijk wordt er al dan niet openlijk gezegd dat de massa’s dom zijn en dat enkel de liberale en moderne elite daar een alternatief op biedt. Wie kritiek heeft op de elite zou demagogisch zijn. Deze retoriek combineert een ondemocratische opstelling met een neerbuigende houding tegenover de gewone bevolking.

Wie de zaken van dichterbij bekijkt, ziet een compleet ander beeld. De verwerping van de elites en de traditionele politieke wereld leidt ook tot een versterking van de radicale linkerzijde. In de VS was er de linkse campagne van Bernie Sanders tegen Clinton (met de meeste peilingen die aangaven dat hij zoiu winnen indien de Democratische partijmachine daar geen stokje had voorgestoken). In Griekenland verdween het sociaaldemocratische PASOK van het toneel om plaats te maken voor Syriza. De Spaanse sociaaldemocratie kreeg klappen en Podemos groeide. In Ierland plaatsen peilingen de alliantie AAA-PBP (Anti-Austerity Alliance en People Before Profit) voor Labour. In Groot-Brittannië wordt Labour verscheurd door een burgeroorlog tussen het partij-apparaat en de verkozenen enerzijds en partijvoorzitter Jeremy Corbyn met tienduizenden nieuwe leden anderzijds. In Frankrijk spreekt de dynamiek van de campagne van Jean-Luc Mélenchon eveneens tot de verbeelding van heel wat werkenden en jongeren.

Als we nog wat verder terugkijken naar de voorbije 20 jaar moeten we vaststellen dat er heel wat kansen waren voor linkse krachten om in te spelen op de afkeer tegen de gevestigde politiek en het neoliberalisme. Een probleem daarbij is dat er veel kansen verloren gingen, onder meer door het ontbreken van een programma om echt door te zetten. Dit liet ruimte aan andere krachten om zich op te werpen als anti-establishment.

Het gevaar van het minste kwaad

Een van de eerste significante krachten links van de sociaaldemocratie was het Italiaanse Rifondazione Comunista (PRC). In de jaren 1990 was dit een partij met tienduizenden leden en een grote autoriteit onder de meest strijdbare syndicalisten en de radicaliserende jongeren. Op de betogingen tegen de globalisering of tegen de oorlog in Irak begin deze eeuw kon de PRC nog indrukwekkende delegaties op de been brengen. Maar de partij trapte in de val van het ‘minste kwaad’ tegen Berlusconi.

In plaats van een onafhankelijke klassenpositie te behouden en niet mee te stappen in het kamp van kapitalistische krachten, trad de PRC toe tot de ‘Unie’, een alliantie rond Romano Prodi die van 2006 tot 2008 aan de macht was. In die twee jaar van deelname aan een beleid van sociale afbraak (met onder meer het goedkeuren van deelname aan de oorlog in Afghanistan, aanvallen op de pensioenen, …) werd de autoriteit van de PRC ten gronde gericht. De opmars van de Vijfsterrenbeweging van Beppe Grillo kan niet begrepen worden zonder terug te kijken naar de politieke fouten van de PRC.

Hetzelfde zagen we in tal van andere landen. In Duitsland was er lang voor Alternative für Deutschland (AfD) de vorming van de nieuwe partij Die Linke in 2007. Die partij trad toe tot lokale coalities met de sociaaldemocratie en voerde in bepaalde steden en regio’s, zoals Berlijn, zelf een besparingsbeleid. De Nederlandse verkiezingen van 15 maart zullen gekenmerkt worden door versnippering en een overwinning van Wilders. De linkse partij SP slaagt er niet in om enthousiasme los te weken. Deelname aan lokale besparingscoalities in enkele grote steden als Amsterdam en Utrecht (telkens met onder meer de rechts-liberale VVD van Mark Rutte) speelt daar een belangrijke rol in.

Het gevaar van puur activisme

Als racisme en andere reactionaire ideeën vandaag openlijker naar voor komen, is dit deels het gevolg van de afwezigheid van een consequent en vastberaden verzet van de vakbonden en linkse organisaties op zowel dit als andere vlakken. Het beste antwoord op het cynisme en het terugplooien is een veralgemeende strijd en zelfvertrouwen in onze collectieve kracht om overwinningen te boeken.

In de VS wijzen verschillende rapporten op een groeiende interesse in linkse organisaties. De ‘zweep van de contrarevolutie’ na de overwinning van Trump versterkt de linkerzijde. Zoals Kshama Sawant, de afgevaardigde van Socialist Alternative in de gemeenteraad van Seattle, in een interview met Al Jazeera stelde, hebben de Democraten zich van een brede laag van progressieve activisten vervreemd door op te roepen tot samenwerking met Trump. Vlak na de verkiezingen bood Hillary Clinton aan om samen te werken met Trump en riep ze haar aanhangers aan om een “open geest” te behouden. Een week na de verkiezingen verklaarde Obama dat we Trump een kans moesten geven. Kshama merkt op dat mensen die naar socialistische en antikapitalistische organisaties beginnen kijken niet gediend zijn met die opstelling. “Er is geen bereidheid om te onderhandelen,” zegt ze. “Er is wel een grote bereidheid tot verzet.” (3)

Er is stilaan een permanente mobilisatie van protest in de VS, met onvermijdelijk ook gevolgen op internationaal vlak. De populistische rechterzijde in Europa is versterkt door de overwinning van Trump en blaakt van zelfvertrouwen. Dit kan ook hier tot protest leiden. Als Marine Le Pen het haalt in de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen zullen er ongetwijfeld acties volgen. Na haar verkiezing in het Europees Parlement in 2014 waren er in Brussel meer dan 2.500 jonge betogers aan de Europese instellingen.

We treden een nieuw tijdperk binnen: een periode die gekenmerkt wordt door scherpe wendingen en snelle veranderingen. Dit brengt heel wat mogelijkheden maar ook gevaren met zich mee. We moeten ervoor opletten dat we niet volledig in de storm van de gebeurtenissen ondergesneeuwd raken met een uitputtende opeenvolging van acties zonder opbouw ervan. We moeten ook de tijd nemen om perspectieven en analyses uit te werken en te bespreken. Om tot fundamentele verandering te komen, is er nood aan een programma dat in staat is om alle onderdrukten te verenigen in de verdediging van hun belangen en dit op basis van een strategie die vertrekt van de centrale rol van de werkende klasse met haar methoden van massastrijd en economische blokkade doorheen het stakingswapen. Met die benadering is het mogelijk om tussen te komen in mobilisaties en bewegingen met een vager karakter, zoals in Roemenië waar de populistische rechterzijde probeert in te spelen op massamobilisaties tegen de corruptie van de sociaaldemocratische regering.

Als antwoord op rechts populisme volstaat links populisme niet. We kennen een nieuwe fase van de oude strijd tussen sociale klassen en we moeten dat ook zo erkennen. We kunnen de dictatuur van de markten niet bestrijden zonder de productiemiddelen uit de handen van de kapitalistische klasse, de grote patroons en aandeelhouders te halen om ze onder de democratische controle en beheer van de gemeenschap te plaatsen. Een compromis dat erop gericht is om in het kader van het kapitalistische systeem te blijven, kan op het eerste gezicht gemakkelijker lijken. Maar het leidt onvermijdelijk tot de impasse waarin onder meer Alexis Tsipras en Syriza (Griekenland), Maduro (Venezuela) en Morales (Bolivia) zich bevinden.

De mislukkingen en overwinningen van de arbeidersbeweging brengen lessen voor onze strijd vandaag. De huidige explosieve periode heeft een aantal kenmerken gemeen met de jaren 1960 en 1970 toen er een grote interesse in socialistische en revolutionaire ideeën ontwikkelde. Socialisme spreekt al tot de verbeelding van de nieuwe generatie werkenden en jongeren in de VS. Ongetwijfeld zal dit besmettelijk zijn.