Text Size

Griekenland: opkomst en neergang van Syriza

Op 5 juli 2015 was er een historisch referendum in Griekenland. Er werd gestemd tegen het besparingsmemorandum van de Europese trojka. Maar liefst 61,5% stemde Neen. Twee jaar later kent de Griekse samenleving onder een door Syriza geleide regering een verderzetting van hetzelfde beleid dat gevoerd werd door de traditionele partijen van de heersende klasse: het sociaaldemocratische PASOK en de conservatieve Nieuwe Democratie (ND). Wat is er fout gelopen?

 

Foto: Wikipedia

Artikel door Andros Payiatos uit Socialism Today

 

De aanval op de levensstandaard en op de rechten van de Griekse bevolking is zelfs verregaander geworden onder de regering van Syriza (“Coalitie van radicaal links”). Het probeert dit te verbergen door te spreken over “harde onderhandelingen” waarbij “al het mogelijke” wordt gedaan om in te gaan tegen de ‘instellingen’, de nieuwe naam van de trojka van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Maar dat is slechts theater. Het laatste akkoord van 15 juni maakte 8,5 miljard euro vrij voor Griekenland (waarvan 8,2 miljard meteen gebruikt wordt om leningen terug te financieren). Het voegt niets toe aan het voorstel van de instellingen op de bijeenkomst van de Eurogroep op 22 mei.

Premier Alexis Tsipras gebruikte de tussentijd enkel om veel lawaai te maken. Zo verklaarde hij dat er geen sprake van zal zijn dat wat hij (regelmatig) de “rode lijnen” noemt overschreden worden. Het resultaat is echter altijd hetzelfde: de instellingen maken duidelijk dat ze geen toegevingen doen, dreigen de Griekse regering af dat het land uit de eurozone zal gezet worden als het niet toegeeft en vervolgens blijken de rode lijnen van Syriza niets anders dan lucht te zijn.

Het laatste akkoord legt de massa’s nog eens een besparingsoperatie van ongeveer 5 miljard euro op tussen 2019 en 2022. Meer algemeen zal Griekenland vanaf volgend jaar tot eind 2022 intresten afbetalen voor een waarde van 3,5% van het BBP. De regering beloofde om jaarlijks een primair overschot van 3,5% na te streven waarbij de uitgaven dus 3,5% van het BBP lager zijn dan de inkomsten uit belastingen. De leningen zullen terugbetaald worden met nieuwe leningen. Vanaf 2022 zal de jaarlijks betaalde intrest (vanuit het primair overschot) gemiddeld 2% van het BBP bedragen. Dat zal duren tot 2060. Dit is het ‘meest optimistische scenario’. Op basis van dit scenario zou de overheidsschuld tegen 2060 afnemen tot 60% van het BBP. Maar de instellingen zijn het onderling niet met elkaar eens: het IMF zegt dat het primaire overschot onhaalbaar is en dat de schulden uit de hand zullen lopen.

Tot de schulden betaald zijn, zal elke beleidsmaatregel van gelijk welke Griekse regering moeten goedgekeurd worden door de ‘Instellingen.’ De zogenaamde ‘linkse’ regering van Syriza ondertekende deze voorwaarde en legt nu een nieuwe besparingsgolf op.

De regering heeft de inkomensbelasting van alle lagen van de bevolking verhoogd, ook van wie het met ongeveer 400 euro per maand moet stellen. Onder de vorige regering van de ND lag de grens nog op 700 euro. De indirecte belastingen worden met 20% verhoogd, onder meer op basisproducten zoals Griekse koffie en de traditionele souvlaki. De pensioenen worden met gemiddeld 9% afgeroomd. De regering voert maatregelen door die de ND en PASOK niet durfden nemen. Zo komt er het grootste privatiseringsprogramma ooit. De arbeidsmarkt blijft een jungle waarin de meeste werkenden in de private sector nog enkele maandlonen te goed hebben en vaak onder onbeschrijfelijke omstandigheden uitgebuit worden.

Dit leidt tot een gevoel van woede en tegelijk van een massale demoralisatie. Het idee dat alle politici leugenaars en zakkenvullers zijn domineert. In het verleden was dit al het geval voor de gevestigde partijen ND en PASOK die het land sinds 1981 bestuurden. Nu wordt dit ook over Syriza gezegd. Die partij groeide snel van een kleine partij met ongeveer 3% van de stemmen tot een massakracht die meer dan 36% haalde in januari en september 2015. Dit was het resultaat van enorme onrust in de Griekse samenleving na de aanvallen van PASOK en ND. De kleine linkse partij werd hierdoor een massakracht, maar vandaag keert Syriza zich tegen de massa’s om hetzelfde beleid verder te zetten.

Historische oorsprong

De val van de Sovjet-Unie in 1991 zorgde voor een nieuwe objectieve wereldsituatie. Zo ontwikkelde er onder meer een vacuüm ter linkerzijde na de ineenstorting van de stalinistische ‘communistische’ partijen en de verburgerlijking van de sociaaldemocratische partijen die de ideeën van de ‘vrije markt’ volledig omarmden. Het CWI en zijn nationale afdelingen stelden dat dit zou leiden tot pogingen om nieuwe linkse formaties op te zetten, nieuwe arbeiderspartijen, om te voorzien in een politieke vertegenwoordiging van de arbeidersklasse en om een rol te spelen in de ontwikkeling van strijd.

De Griekse Communistische Partij (KKE) kende enkele grote afsplitsingen. Zo vertrok de officiële jongerenafdeling KNE in groep. Een andere nieuwe formatie was Synaspismos (SYN – wat staat voor ‘alliantie’ of ‘samenwerking’), opgezet door kleine krachten van de oude Eurocommunistische partij van Griekenland die zich verenigde met een deel van de Communistische Partij. PASOK schoof snel naar rechts op en de radicale linkerzijde kende een forse afkalving. De KKE haalde nog 4-5%, maar behield wel een basis onder de werkenden, in het bijzonder onder arbeiders in de private sector. SYN leverde elke verkiezing opnieuw een gevecht om de kiesdrempel van 3% te halen, wat niet altijd lukte.

Eind jaren 1990 begon de situatie te veranderen. SYN was de enige semi-massale linkse kracht die niet sectair was en kon tussenkomen in de antiglobaliseringsbeweging en het anti-oorlogsverzet op het begin van deze eeuw. De partij stond open voor samenwerking en allianties waardoor het een aantal andere kleine krachten aantrok. Samen vormden ze de ‘Ruimte voor Dialoog en Eengemaakte Actie’ van waaruit Syriza in 2004 voortkwam. Xekinima, de Griekse afdeling van het CWI, nam deel aan de discussies in die ‘Ruimte’, maar besloot in 2004 om niet bij Syriza aan te sluiten omdat alles haastig in elkaar gezet was vanuit electorale oogpunten met een rechts-reformistisch programma dat absoluut niet radicaal was.

Syriza deed het erg slecht in de verkiezingen van 2004 en de rechtse leiding van SYN besloot om het project af te voeren. Maar het kwam opnieuw tot leven in 2007, weer om aan verkiezingen deel te nemen. Het verschil was wel dat er in 2007 een nieuwe leiding was met Alekos Alavanos als voorzitter. Onder deze leiding werd de partij naar links geduwd. Syriza ging ook vooruit met 5% van de stemmen. Het was het begin van grote veranderingen die zouden plaatsvinden op het ogenblik dat Griekenland in 2009 getroffen wordt door de wereldwijde crisis die het vacuüm ter linkerzijde groter maakte. PASOK werd in de herfst van 2009 met een grote meerderheid verkozen, maar werd het jaar erna een agent van de trojka die het eerste memorandum doorvoerde. In juni 2012 wonnen de conservatieven de verkiezingen en werd het tweede memorandum opgelegd.

De massale aanvallen door de gevestigde partijen samen met de enorme sociale strijd die Griekenland overspoelde tussen 2010-2012 legden de basis voor de opkomst van Syriza dat het enorme vacuüm begon op te vullen. In de lente van 2010 begonnen de vakbondsfederaties (GSEE in de private sector en publieke dienstbedrijven en ADEDY in de openbare sector) tot algemene stakingen op te roepen. Er zouden tussen 2010 en de overwinning van Syriza in 2015 ongeveer 40 algemene stakingen volgen.

Tussendoor waren er stakingen in verschillende sectoren en bezettingen die soms maandenlang bleven duren. In de herfst van 2011 was er amper een regeringsgebouw waar er geen spandoek hing waarop stond dat het gebouw ‘bezet’ werd. Er waren andere belangrijke sociale en lokale bewegingen, zoals de strijd van de inwoners van Keratea tegen een stortplaats, tegen de goudmijnen in Chalkidiki in het noorden van Griekenland, het protest tegen de wegentol in de winter van 2010 en de Occupy-beweging van 2011.

Er waren al tekenen van uitputting midden 2012 na enkele ernstige nederlagen. Maar er waren nog altijd strijdbewegingen van historisch belang zoals bij de nationale omroep ERT in 2013 en het personeel van VIOME dat het bedrijf zelf overnam. Zowel ERT als VIOME zorgden voor uitstekende voorbeelden van hoe de werkenden op democratische wijze zelf hun bedrijf kunnen beheren zonder dat er een baas of een directie aan te pas komt.

Waarom Syriza?

Op dat ogenblik kon enkel de linkerzijde een uitweg uit de crisis aanreiken. Maar deze omstandigheden droegen tegelijk ook bij tot een groei van extreemrechts dat groeide in de vorm van de neonazistische Gouden Dageraad. Maar waarom groeide Syriza en de andere linkse partijen niet? Voor het begin van de crisis en bij het uitbreken ervan had Syriza een grotere aantrekkingskracht dan de KKE. Het Anti-kapitalistisch Front (Antarsya) stagneerde rond 1% in de peilingen. Syriza toonde tekenen van een significante steun, maar er waren grote fluctuaties. De KKE was stabieler en ging van het traditionele resultaat van 7-8% naar 10-12% in de peilingen.

Een van de grootste (maar zeker niet het enige) verschillen tussen deze drie organisaties is dat de KKE en Antarsya sectair zijn. Ze verwierpen in naam van ‘revolutionaire authenticiteit’ het idee van een verenigd front van alle linkse krachten en die van de massabeweging, terwijl Syriza erg positief stond tegenover het idee van eengemaakte actie. De KKE voerde een extreem sectaire koers waarbij samenwerking met alle andere krachten werd afgewezen – zelfs samen betogen was onmogelijk.

In de verkiezingen van 2012 kende Syriza een doorbraak. Er waren verkiezingen in mei waar Syriza 17% haalde en de KKE 8,5%. In juni waren er opnieuw verkiezingen en daarin stootte Syriza door tot 27%, niet veel minder dan de 29,7% van de ND. De KKE viel terug op 4,5%. Het is nuttig om te kijken hoe de relatieve sterkte van de partijen voor en tijdens de verkiezingscampagne evolueerde. In peilingen van december 2011 stonden Syriza en de KKE op een gelijkaardig niveau van elk ongeveer 12%. Bij het begin van de verkiezingscampagne – tot drie weken voor de stembusgang van 6 mei 2012 – was dit nog altijd het geval.

Tsipras deed dan een open oproep aan de KKE om samen een linkse regering te vormen. Voorheen weigerde hij deze slogan naar voor te brengen, ook al was er druk van delen van links hiertoe. Ook Xekinima dat nauw samenwerkte met Syriza met een aantal leden die ook lid waren van Syriza voerde campagne voor een regering van de linkse partijen op een socialistisch programma. De impact van de oproep was duidelijk. De stalinistische KKE-leiding verwierp meteen elke vorm van gezamenlijke regering met Syriza als een principekwestie. Zelfs indien Syriza in de positie zou komen om een minderheidsregering te vormen, dan nog zou de KKE in een vertrouwensstemming in het parlement tegen stemmen. Anders gezegd: de KKE zou een Syriza-regering meteen wegstemmen.

Dit debat binnen de linkerzijde deed de verhoudingen kantelen. Syriza won en de KKE verloor. De totale linkse resultaten in mei 2012 (17% en 8%) waren gelijkaardig aan het totaal dat in de peilingen in de maanden en weken voor de verkiezingen voorspeld werd (12% en 12%), maar Syriza had een snelle electorale groei gekend. Dit toont het belang van een eenheidsfrontbenadering voor bredere lagen van de bevolking. Jammer genoeg moeten de KKE-leiding maar ook de meeste linkse organisaties in Griekenland niets weten van een eenheidsfront. Er zijn geen officiële cijfers van, maar volgens basisleden van de KKE vertrok ongeveer een derde van de leden (al dan niet gedwongen) wegens verzet tegen de weigering van de KKE om positief op de oproep van Syriza te antwoorden.

Was een capitulatie onvermijdelijk?

De capitulatie van Syriza voor de trojka was niet onvermijdelijk. De leiding had een gebrek aan begrip van de reële processen die plaatsvonden en had het naïeve en eigenlijke criminele idee dat het “Griekenland en Europa zou veranderen,” zoals Tsipras het stelde. Er was een gebrek aan begrip van het klassenkarakter van de Europese Unie en een totaal gebrek aan vertrouwen in de arbeidersklasse en de capaciteit van die klasse om de samenleving te veranderen. Toen Tsipras ondervond wat het betekent om echt tot een confrontatie met de heersende klasse over te gaan, verviel hij in wanhoop en capituleerde hij totaal onvoorbereid.

De hele aanpak was amateuristisch. Meteen na de verkiezingsoverwinning van Syriza in januari 2015 vloeiden elke dag honderden miljoenen euro’s het land uit. Tsipras en zijn minister van economie Yanis Varoufakis deden niet wat toen nodig was: controles opleggen om de kapitaalvlucht te stoppen. Ze hadden het voorbeeld van Cyprus in 2013 waar de trojka zelf een kapitaalcontrole had opgelegd. Maar toch durfden ze niet te handelen.

Ze deden vervolgens iets wat nog schandaliger was. Ze bleven de schulden terugbetalen ook al besloot de trojka om geen nieuwe fondsen te voorzien om de schulden te financieren. Ze legden de economie droog en namen elke euro in handen van publieke instanties zoals universiteiten, ziekenhuizen en lokale autoriteiten in beslag om de EU te tonen dat ze van ‘goede wil’ waren. De ECB kwam vervolgens tussen om de liquiditeiten van de banken te bevriezen waardoor ze moesten sluiten. De economie stond op zijn knieën.

Tsipras kon maar één van de twee keuzen maken: toegeven en alle voorwaarden van de eisende overwinnaars aanvaarden, of van koers veranderen en in het offensief gaan. De Griekse massa’s gaven hun mening in het historische referendum van juli 2015: als de regering de strijd aangaat, zullen wij dit steunen. Maar Tsipras had al besloten. Hij zou toegeven aan de trojka. Het referendum had hij uitgeroepen vanuit het idee dat hij het zou verliezen. Het resultaat schokte hem, zo’n overtuigende meerderheid was onverwacht. Varoufakis bevestigde dit in een recent interview: hij had aan Tsipras gezegd om “de mensen niet buiten te brengen” als hij besloten had om toe te geven aan de eisen van de trojka.

Er was een alternatief dat gedetailleerd uitgewerkt werd door linkse organisaties als Xekinima: kapitaalcontroles opleggen, weigeren om de schulden te betalen, nationalisatie van de banken, snelle invoering van een nationale munt (drachme), de liquiditeiten van die munt gebruiken om grote publieke werken uit te voeren om de inkrimping van de economie te stoppen en nieuwe groei tot stand te brengen, kwijtschelding van de schulden van kleine bedrijven die door de crisis onder de voet werden gelopen en het voorzien van gunstige leningen zodat die kleine bedrijven terug activiteiten aan de dag leggen en mee voor groei zorgen.

We stelden voor om de sleutelsectoren van de economie te nationaliseren en de economie te plannen met een overheidsmonopolie op buitenlandse handel. Hierdoor zou het mogelijk zijn om tot duurzame groei te komen die niet gericht is op de belangen van een handvol grote scheepseigenaren, grote bedrijfseigenaars en bankiers, maar op de belangen van de 99%. Verder pleitten we voor het opzetten van speciale planningscomités in alle industriële sectoren en in de mijnbouw met een specifieke aandacht voor landbouw en toerisme die zo belangrijk zijn voor de economie en een enorm potentieel hebben. Tegelijk was het nodig om democratie in het beheer van de economie te vestigen in de vorm van arbeiderscontrole- en beheer op alle niveaus. Een oproep aan de werkenden in de rest van Europa voor steun en solidariteit zou een aanzet kunnen vormen tot een gemeenschappelijke strijd tegen het Europa van de bazen en de multinationals. Dit zou leiden tot een vrijwillige, democratische, socialistische unie van de Europese bevolking. Anders gezegd: een anti-kapitalistisch, anti-EU offensief met een socialistisch programma en een internationalistische klassensolidariteit was het antwoord op de chantage van de trojka.

Tsipras en co, waaronder Varoufakis, konden zich dit echter niet inbeelden. Het spreekt in zijn voordeel dat hij niet gebogen heeft voor de EU, maar ondertussen blijft het een feit dat het economisch beleid tussen januari en juli 2015 rampzalig was en dat Varoufakis daar direct verantwoordelijk voor is. Hij had, en jammer genoeg is dat nog altijd het geval, illusies dat hij de EU kon overtuigen om van koers te veranderen en hervormingen mogelijk te maken.

Hoe zat het met de rest van links?

De capitulatie door de Syriza-leiding is één aspect van de problemen waarmee de Griekse werkende massa’s geconfronteerd worden. Een ander aspect is in zekere zin nog belangrijker: het onvermogen van linkse krachten om voordeel te halen uit deze capitulatie door een alternatief erop aan te bieden. Dit is vooral het geval voor de twee grote linkse formaties, de KKE en Antarsya, die zich antikapitalistisch voordoen en over socialistische revolutie spreken. Een groot deel van de Griekse linkerzijde heeft last van enkele ‘erfzonden’ als gevolg van de massale invloed van het stalinisme doorheen de geschiedenis. Dit heeft tragische gevolgen. De KKE en Antarsya hebben immers voldoende krachten, een kritische massa, om als katalysator van grote veranderingen op te treden.

Er is ten eerste weinig begrip van een overgangsprogramma, de nood van een brug tussen de strijd van vandaag en de socialistische omvorming van de samenleving morgen waarbij beide taken met elkaar verbonden zijn in een dialectisch geheel. Het maakt dat de KKE wel spreekt over de nood aan socialisme, maar dit voorstelt als iets voor een verre toekomst op een ogenblik dat de KKE sterk genoeg is. De KKE weigert dan ook steun te geven aan eisen zoals de nationalisatie of zelfs een exit uit de EU. Het argument dat de KKE hiervoor gebruikt, is dat dit “betekenisloos” is onder het kapitalisme.

Antarsya is anders, maar er is een brede verwarring in die formatie. Delen van Antarsya verdedigen een ‘overgangsprogramma’ maar interpreteren dit als een minimumprogramma waarin de kwestie van arbeidersmacht en socialisme niet aan bod komt. Antarsya staat ervoor bekend dat het luid roept voor revolutie maar geen concrete voorstellen doet om daar te geraken.

Ten tweede is er geen begrip van de tactiek van het eenheidsfront dat uitgelegd en toegepast werd door de Bolsjewieken onder Lenin en Trotski en door die laatste in de jaren 1930 werd samengevat als “afzonderlijk opstappen maar samen toeslaan” in actie. De KKE en Antarsya hadden nooit een eenheidsfrontbenadering naar de massa’s die voor Syriza stemden. Ze begrepen op een bepaald ogenblik dat Tsipras en co zouden capituleren voor de eisen van de kapitalisten, maar dachten dat de ontgoochelde massa’s vervolgens op één of andere magische wijze naar hen zouden komen. De massa’s rond Syriza waren echter niet geïnteresseerd in krachten die in de vorige periode op hen neerkeken. Ze gingen gewoon naar huis.

Een derde kwestie is die van het stellen van ultimatums. De KKE lijkt een actuele kopie van de Comintern onder Stalins ‘derde periode.’ De partij verwijt tegenstanders ervan agenten van de heersende klasse te zijn of zelfs collaborateurs van Gouden Dageraad. In Kefalonia, een eiland in de Ionische Zee, verspreidde de KKE recent een pamflet tegen Xekinima nadat onze aanhangers een verkiezing in de lokale vakbond van kleine winkeliers wonnen. De KKE schrijft daarin dat ‘uiterst links’ (Xekinima) samenwerkt met big business, ND, Syriza en Gouden Dageraad (allemaal tegelijk!) om de fractie van de KKE in die vakbond te bekampen. Je zou van minder wanhopig worden.

Tenslotte is er de weigering om de realiteit onder ogen te zien. Na het referendum van juli 2015 en de verkiezingen van september 2015, die Tsipras snel organiseerde voordat de massa’s goed begrepen wat de capitulatie voor hen betekende, verklaarde Xekinima openlijk dat dit een grote nederlaag was. We legden uit dat dit een grote impact zou hebben op de bewegingen en de linkerzijde in het algemeen, ook al zou het een minderheid van activisten tot revolutionaire conclusies brengen.

Het grootste deel van links weigerde dit te aanvaarden. Ze bleven oproepen tot een massabeweging om de regering weg te krijgen, een massabeweging die er nooit zou komen. Toen de massa’s niet op straat kwamen om de strijd aan te gaan, was dit volgens de KKE omdat de massa’s ‘het niet begrepen.’ Kortom, het was de schuld van de massa’s. Een andere reactie bestond erin om de omvang van de beweging te overdrijven, waarbij het aantal betogers verkeerd werd weergegeven en zo. Het is onnodig om op te merken dat dergelijke benaderingen de linkerzijde enkel in een doodlopend straatje loodsen.

Deze beperkingen leggen uit waarom de massa’s niet naar de KKE of Antarsya keerden na de capitulatie van Tsipras. Maar hoe zat het met de linkerzijde binnen Syriza? De belangrijkste oppositiestroming, het Links Platform, werd gesteund door ongeveer een derde van de partij. De groep splitste af in augustus 2015 en vormde Volkseenheid waarmee aan de vervroegde verkiezingen van september werd deelgenomen. Aanvankelijk gaven de peilingen deze nieuwe kracht 10% – een brede steun dus – maar het viel geleidelijk terug tot minder dan 3%. Nu staat Volkseenheid op 1 tot 1,5% in de meeste peilingen.

De leiding van Volkseenheid maakte een reeks cruciale fouten. De campagne was sterk geconcentreerd op de overstap naar een nationale munt, het programma was niet alleen te beperkt maar ook incoherent. De partij was voor het verlaten van de eurozone en het stopzetten van de afbetaling van de schulden, maar tegelijk werd gepleit voor het behoud van het lidmaatschap van de EU. Dit was zeker geen radicaal antikapitalistisch en socialistisch programma. Bovendien was er een onmogelijke combinatie van eisen.

Een tweede belangrijke factor was de arrogantie van de leiding met een bureaucratische top-down benadering. Duizenden linkse activisten keken naar Volkseenheid toen het opzet werd in de hoop dat het een weg vooruit zou vormen. Maar velen raakten ontgoocheld en waren snel terug weg. Ze hadden dit al eens eerder gezien en vonden het toen al vervelend: een gevestigde leiding (op lokaal en nationaal vlak) die niet toelaat dat er vragen gesteld worden, een programma dat niet bediscussieerd wordt en een campagne om parlementsleden te verkiezen die door de leiding waren aangeduid en niet door de basis verkozen. Enkele dagen voor de verkiezingen besefte de leiding van Volkseenheid dat het er niet goed uitzag. Er was op het laatste moment een democratische bocht, maar het was te laat.

Vooruitzichten en taken

Eind jaren 1990 was het mogelijk om te zien van waar het initiatief voor een nieuwe linkse formatie zou komen. Vandaag is dat niet het geval. De fase van de nederlaag waar de Griekse arbeidersklasse nu doorgaat, is ernstig, maar anderzijds niet vergelijkbaar met de nederlaag in de burgeroorlog van 1945-49 of de overwinning van de militaire junta tussen 1967 en 1974. De arbeidersklasse heeft militante tradities en heeft veel opofferingen gedaan. Deze arbeidersklasse zal ongetwijfeld terug op het voorplan komen. De timing, omvang en exacte kenmerken van deze terugkeer kunnen niet voorspeld worden. Dit proces zal gepaard gaan met pogingen om nieuwe politieke formaties uit te bouwen die de massabeweging politiek vertegenwoordigen en leiding geven aan strijdbewegingen.

Activisten van de arbeidersklasse hebben een dubbele taak. Enerzijds moeten ze de centrale politieke les trekken uit de capitulatie van Syriza: op kapitalistische basis is er geen oplossing, een revolutionair programma is de enige uitweg uit de crisis. Anderzijds is het nodig om in een brede stroom van gemeenschappelijke actie, strijd en verzet de verschillende Griekse bewegingen bijeen te brengen met als bijkomend doel om van hieruit te komen tot een nieuwe brede formatie met kenmerken van een eenheidsfront. Een breed eenheidsfront is nodig om strijd efficiënter te maken, net zoals een revolutionaire kern nodig is om binnen de arbeidersklasse, sociale bewegingen en de samenlevingen te strijden voor een socialistisch programma.

Er is sterke objectieve basis hiervoor. Het probleem is vooral van subjectieve aard en hangt samen met de beperkingen van de belangrijkste linkse krachten. We kunnen enkel maar opkomen voor deze ideeën en waar mogelijk initiatieven nemen die een weg vooruit tonen. Xekinima verdedigt deze voorstellen in de massabewegingen en de samenleving en neemt tegelijk initiatieven zoals lokale linkse allianties, lokale ‘sociale centra’ met verschillende activisten, gemeenschappelijke campagnes rond specifieke kwesties, …

Er is een stap terug in de massabeweging en er is demoralisatie. Er zijn erg weinig grote bewegingen, maar er zijn wel heel wat kleine belangrijke bewegingen. Tegelijk is er onder activisten een honger naar ideeën. De huidige fase van stilte zal vroeg of laat eindigen, een nieuwe opmars van strijd zal op de agenda staan. Revolutionaire socialisten bouwen op dat perspectief.