Text Size

Nieuwe rechtse regering in Oostenrijk botst meteen op verzet

Op maandag 18 december werd de derde ‘zwart-blauwe’ (zwart van de conservatieve ÖVP en blauw van het extreemrechtse FPÖ) regering in Oostenrijk gevormd. Partijleiders Kurz (ÖVP) en Strache (FPÖ) trokken lessen uit het falen van de vorige zwart-blauwe regering in de jaren 2000. Ze stelden zichzelf bewust als staatsmannen voor, stelden zes vrouwelijke ministers aan en hielden rekening met de wensen van de groene president Van der Bellen. Dit doet echter niets af van wat deze regering echt betekent. Onder de ministers zijn er een aantal rechtse figuren die bekend staan voor hun haatboodschap en die voortkomen uit pan-Duitse nationalistische groepen. Het regeringsprogramma omvat racisme en vooroordelen tegen moslims en migranten (zo wordt het stuk over geweld tegen vrouwen in dit programma beperkt tot het hoofdstuk over migratie…).

 


Artikel door Sonja Grusch van SLP (onze zusterorganisatie in Oostenrijk)

 

Regeringsprogramma: 180 pagina’s aanvallen met mooie woorden verpakt

De zwart-blauwe regering wil verworvenheden die verkregen werden door de werkenden afbouwen. Die verworvenheden werden afgedwongen in de periode van radicalisering en massabeweging na 1968.

In het regeringsprogramma wordt veel gesproken over het ‘thuisland’, ‘identiteit’ en ‘waarden.’ Het christendom krijgt een grotere rol in de staat en de morele concepten ervan worden onder meer toegepast in de context van het gezin en het recht van vrouwen om over het eigen lichaam te beschikken. In de universiteiten wil de regering inschrijvingsgeld invoeren en de ruimte voor een links of kritisch beleid beperken. De regering wil ‘Oostenrijkse cultuur’ aanmoedigen en zelfs een ‘Oostenrijk-rating’ in de media invoeren (een percentage van ‘Oostenrijkse’ cultuur). Wellicht zullen de meest progressieve culturele aspecten daar niet onder vallen.

Maar het zijn vooral de economische en sociaal-politieke plannen van de regering die angst aanjagen en de werkende bevolking voor uitdagingen stellen. De regering wil de vakbonden aanpakken door beslissingen zoals de invoering van een 12-urige werkdag op niveau van een werkplaats of zelfs op individueel niveau te nemen. Het bestaan van jonge vakbondsafgevaardigden wordt afgeschaft. Werklozen worden aangepakt naar het Duitse Hartz IV-model dat inhoudt dat langdurig werklozen geen financiële steun meer zullen krijgen. Veranderingen in de arbeidsregels en op de huurmarkt zullen vooral mensen met lage lonen treffen.

Er zijn grote plannen aangekondigd rond sleutelwoorden als “de-bureaucratiseren”, “lichte staat” en “belastinghervorming.” Het wijst allemaal in dezelfde richting: besparingen op sociale maatregelen en diensten voor de werkenden om dit geld te gebruiken voor geschenken aan grote bedrijven.

Er wordt vaak gesproken over “straffen” voor wie “niet wil bijdragen.” Ouders van spijbelende kinderen, migranten die zogezegd ‘niet willen integreren’ (ook al stelt de regering tegelijkertijd dat de integratie van vluchtelingen niet gewenst is) of studenten die te kritisch zijn, zullen allemaal gestraft worden. Daarnaast is er sprake van een nieuwe bewapening en militarisering.

Dit zijn maar een paar van de maatregelen in het 180 pagina’s tellende regeerprogramma. Als de burgerlijke commentatoren kritiek geven op het programma, houden ze het er doorgaans op dat het niet ver genoeg gaat. Ze gaan eraan voorbij dat de nieuwe regering voorzichtig wil zijn in de eerste vier maanden van 2018, voor de geplande regionale verkiezingen. De zwart-blauwe regering in Opper-Oostenrijk (aan de macht sinds 2015) hield zich ook in tot aan de parlementsverkiezingen van 2017. Het vage woordgebruik in het nieuwe regeerprogramma laat voldoende ruimte voor brutale aanvallen op de werkende klasse.

Potentieel instabiel

Deze regering zal op verschillende vlakken op verzet botsen, onder meer in de publieke sector. Kurz wil de publieke sector hard aanpakken. Hij laat de leiding voor die aanvallen over aan Strache zodat de basis van de ÖVP in deze sector niet te hard moet lijden. Er komt een centralisatie op verschillende vlakken met een verzwakking van de regionale structuren en de gemeenten. Dit zal mogelijk botsen op de belangen van de ÖVP-politici in deze structuren. Er zal immers minder geld zijn voor bepaalde projecten en bijhorende postjes voor vrienden. Conflicten zijn onvermijdelijk. De manoeuvres van Kurz zullen het verzet niet stoppen. Op de Facebook-pagina van Strache was er al een rel over de 12-urige werkdag. Dat gaf de FPÖ een beeld van de onpopulariteit van het geplande neoliberale beleid onder de eigen basis.

Er is een kloof tussen het beeld dat de FPÖ van zichzelf ophangt van een “sociale vaderlandspartij” en de realiteit van neoliberale besparingen en stijgende huurprijzen. De racistische en vrouwonvriendelijke ideologen van de FPÖ zullen bovendien maatregelen vragen die niet overeenstemmen met de belangen van de grote bedrijven. Kickl, FPÖ’er en minister van binnenlandse zaken, en Strache zitten in machtsposities en zullen die niet zomaar opgeven. Een herhaling van de “Knittelfel-crisis” uit 2002 (een zware interne strijd binnen de toen regerende FPÖ die leidde tot het ontslag van verschillende ministers en nieuwe verkiezingen) is misschien niet aan de orde, maar er zal interne druk zijn binnen de FPÖ.

Bovenal ziet de economische situatie er enkel aan de oppervlakte goed uit. De nationale economische groei is fragiel en sterk afhankelijk van internationale ontwikkelingen. De mogelijkheden voor nieuwe fiscale geschenken aan de grote bedrijven zijn beperkt. Het Oostenrijkse kapitalisme verwacht veel van de dalende loonkosten. De ‘nieuwe stijl’ van een harmonieuze samenwerking tussen partijen, zoals voorgesteld door Strache en Kurz, kan wel eens van korte duur zijn. Kurz is de nieuwe hoop van de burgerij, maar kan snel zijn geloofwaardigheid verliezen op dezelfde wijze als dit met andere ‘nieuwe’ leiders gebeurde (zoals Macron of Trudeau).

Verzet op komst

Tijdens de eedaflegging waren er 6.000 à 10.000 betogers in Wenen. In het weekend ervoor waren er honderden betogers in Graz en op maandag enkele honderden in Salzburg en zowat 2.000 betogers in de kleine stad Innsbruck in Tirol. Kort voordien kwamen er bij verschillende acties 2.000 tot 4.000 mensen op straat in Linz tegen de zwart-blauwe regionale regering in Opper-Oostenrijk. Op deze acties waren er veel zelfgemaakte protestborden en was er een strijdbare sfeer. Er waren veel jonge vrouwen op de acties. Vooral maatregelen als de 12-uren werkdag of het inschrijvingsgeld zijn redenen om te protesteren.

Deze acties werden door de gevestigde media vergeleken met de “verzetsbeweging” van 2000. Dat wordt vooral gedaan om het protest vandaag te ridiculiseren. In Wenen waren er ongeveer 1.000 deelnemers aan een scholierenstaking en acties aan de universiteiten. Het gaat niet enkel om “de linkerzijde.” Er waren op verschillende acties ook pakweg ‘grootouders tegen zwart-blauw’ en heel wat andere ‘normale’ mensen die terecht bang zijn van het regeringsbeleid.

De beweging van 2000 zal niet zomaar herhaald worden. We willen vandaag een beweging op de schaal van die van 2000 ontwikkelen, maar moeten ook lessen trekken uit het verleden. Die beweging was niet succesvol omdat het beperkt was tot betogingen en niet overging tot vakbondsacties op de werkvloer. Als de ‘veteranen’ van het protest in 2000 aan de betogingen deelnemen met hun toenmalige spandoeken, moeten we ook wijzen op de zwaktes van de beweging toen. De protestacties in 2000 hebben een volledige generatie politiek bewust gemaakt. De sterke aanwezigheid van jongeren op de acties vandaag is een goed vertrekpunt. Nu komt het erop aan om te organiseren. Velen zoeken naar ideeën en voorstellen hiervoor. Discussie is dan ook belangrijk. Geen discussies voor de discussies maar om tot een plan te komen waarmee we de regering en het besparingsbeleid kunnen stoppen en waarbij we de discussie openen over een alternatief hierop.

Op 18 december waren de vakbonden pijnlijk afwezig. De vakbondsfederatie ÖGB kondigde op zijn website aan: “De ÖGB zal niet deelnemen aan het aangekondigde protest tegen de regering van ÖVP en FPÖ. We zullen deze nieuwe regering evalueren, zoals we dat steeds doen.” ÖGB-topman Foglar verwacht dat de ‘sociale partners’ zullen gehoord worden “omdat zo heel wat spanningen kunnen vermeden worden.” Dat is een absurd standpunt. De vakbondsleiding wacht op een uitnodiging en zal indien het zo ver komt zijn standpunt uitleggen. Maar zelfs indien er een dergelijke bijeenkomst is, lijkt het weinig waarschijnlijk dat de regering rekening zal houden met het vakbondsstandpunt. Wat zullen de vakbondsleiders dan voorstellen? De plannen van de nieuwe regering zijn duidelijk. Er is geen tijd te verliezen. De vakbonden moeten hun leden informeren over wat dit regeringsbeleid betekent. Dat kan onder meer op vergaderingen op de werkplaatsen. Het is ook de taak van de vakbonden om niet alleen aan protestacties deel te nemen, maar zelf actief het verzet te organiseren. Als de vakbonden dit niet doen, zullen veel leden hun lidmaatschap in vraag stellen. Er is al heel wat ongenoegen met Foglar. Dit ongenoegen blijkt nu niet alleen online, maar ook vooral in de deelname van vakbondsmilitanten aan de protestacties. De opbouw van een strijdbare linkerzijde in de vakbonden is meer dan nodig.

Bij de laatste verkiezingen liet de ontgoocheling in de rechtse sociaaldemocraten de FPÖ toe om de grootste partij onder de werkenden te worden. Nu deze partij overgaat tot aanvallen op de werkenden en de armen blijkt dat het een “valse vriend” van de werkenden is. Het wijst op de dringendheid van een alternatief op zowel de nieuwe regering als het beleid van de vorige regering met de sociaaldemocraten.

Er is een oproep voor een grote nationale betoging op 13 januari. Het komt erop aan om verschillende sectoren van werkenden die bedreigd worden door de regeringsplannen bijeen te brengen. Het moet een sterk signaal zijn: een eerste stap in de organisatie van het verzet waarmee het besparingsbeleid kan gestopt worden. We moeten de brutale klassenoorlog die van bovenaf gevoerd wordt stoppen met vastberaden verzet van onderaf.

We kunnen daarvoor niet vertrouwen op de gevestigde partijen. Dat omvat ook Van der Bellen, het lid van de Groene partij die vorig jaar tot president werd verkozen. Hij heeft deze regering aangesteld zonder een woord van kritiek en hij speelde geen enkele rol in het protest.

We moeten actiecomités tegen zwart-blauw opzetten. De werkenden moeten de gevolgen van de regeringsplannen kennen. Campagnes op de scholen, universiteiten, werkplaatsen, onder migranten, in de media, in de culturele sector, in het onderwijs en de zorgsector, … moeten het verzet organiseren en bijeenbrengen. Het is niet het moment om de kop in het zand te steken, het is nu tijd om ons te organiseren. Samen staan we sterker en kunnen we een alternatief voor deze regering opbouwen.