Text Size

Een duurzame wereld is technisch mogelijk

In de aanloop naar de klimaattop van Kopenhagen in december vorig jaar publiceerde het tijdschrift Scientific American een opvallend dossier onder de titel “A plan for a sustainable future”. In dat dossier werd aangetoond hoe wind-, water- en zonne-energie voor de totale wereldwijde energiebehoefte zou kunnen instaan tegen 2030.

Standpunt door Pete Mason

Hernieuwbare energie is er meer dan genoeg. De auteurs Mark Jacobson van Stanford University en Mark Delucchi van de University of California tonen aan dat het beschikbare zonlicht (zonder het zonlicht dat op de oceanen straalt) 40 keer de actueel gebruikte hoeveelheid energie zou kunnen voorzien.

De auteurs stellen voor om wereldwijd 3,8 miljoen windturbines te plaatsen om de helft van de energie te produceren. Met 1.700 miljoen zonnepanelen (fotovoltaïsch) zou 40% van de energie kunnen worden geproduceerd en een half miljoen getijdenturbines en andere methoden zouden voor de resterende 10% instaan. De auteurs verzetten zich tegen kernenergie maar ook tegen bio-energie en ethanol omwille van de vervuiling dat dit met zich meebrengt. De wereldwijde omvang van de windturbines zou slechts 50 km² zijn en bovendien kan de omliggende grond nog steeds voor landbouw worden gebruikt. Vergelijk dat met de 13.000 nieuwe grootschalige steenkoolcentrales die aan het huidige groeiritme nodig zouden zijn tegen 2030. Dat zou “veel meer grond in beslag nemen en er is ook de mijnbouw om de centrales te bevoorraden.” Als deze elementen in rekenschap worden gebracht, lijkt het voorstel van de twee Amerikaanse professoren niet zo absurd. Heldere redeneringen met een duidelijke visie zorgen ervoor dat dit artikel en het standpunt van de auteurs opvallend is.

De problemen die traditioneel aan wind- en zonne-energie worden toegeschreven zijn het afgelopen decennium grotendeels opgelost. Er is reeds technologie ontwikkeld en toegepast waarmee de problemen worden opgelost. De mogelijkheden voor energie van de wind en de zon verschillen van regio tot regio, maar samen met een meer consistente basis van hydroelektriciteit en getijdenturbines zouden deze energiebronnen betrouwbaar kunnen zijn. Het uitbouwen van dergelijk uitgebreide infrastructuur zou zeker tijd vergen, maar de auteurs merken op dat “dit ook zo was voor het huidige energienetwerk.” Het aantal zonnepanelen en windturbines is erg groot, maar de auteurs wijzen er op dat de VS tijdens Wereldoorlog Twee “de autofabrieken ombouwde om 300.000 vliegtuigen te produceren, in andere landen werden er 486.000 extra geproduceerd.”

Het voorbeeld van de economische herindeling tijdens de oorlog is belangrijk omdat dit gebeurde op basis van een grootschalige overheidsinterventie met een staatsplanning van de sleutelsectoren. Amerikaanse bedrijfsleiders verzetten zich destijds tegen de omschakeling voor militaire productie omdat ze de consumentenmarkt niet wilden verliezen aan concurrenten die niet omschakelden. Maar de productie van vliegtuigen werd toch snel opgedrven. Vanaf 1943 was er een spectaculaire toename en in 1944 een piek in de productie. De grote bedrijven (en de regeringen die de belangen van deze bedrijven dienen) verzetten zich vandaag voor dezelfde redenen tegen een omschakeling naar propere energie. Dat wijst op een systematisch falen van de kapitalistische markteconomie bij grote sociale problemen zoals de klimaatveranderingen.

De moderne technologie zou bij een grootschalige omschakeling ervoor kunnen zorgen dat het niveau van productie dat in de jaren 1940 werd behaald ruim overtroffen wordt. Socialisten zouden steun geven aan een omschakeling van bestaande autofabrieken om zonnepanelen en windturbines te produceren. Dat zou banen redden en bestaande kennis en faciliteiten in de fabrieken redden. Daarnaast zouden we opkomen voor een democratisch beslissingsproces waarin de arbeiders worden betrokken en waarbij de arbeiders van de fabriek en de gemeenschap mee de plannen opmaken en uitvoeren.

Jacobson en Delucchi wijzen er op dat slechts 17-20% van de energie van brandstof in auto’s gebruikt wordt om deze aan te drijven. De rest gaat verloren aan hitte. Een gelijkaardig verlies zien we in energiestations en bij het overbrengen van elektriciteit naar de huiskamers. Ter vergelijking: auto’s die op elektriciteit worden aangedreven gebruiken 75-86% van de energie. Een huis of werkplaats die beroep kan doen op lokaal geproduceerde wind- of zonne-energie heeft een gelijkaardig niveau van efficiëntie. Er is dan ook minder energie nodig dan wat vandaag doorgaans het geval is. Maar dat is niet alles.

Neem nu de energie die verloren gaat aan transport. Het artikel in Scientific American houdt geen rekening met de mogelijkheid om openbaar vervoer sterk uit te bouwen. Het beperkt zich tot de stelling dat het “problematisch” is dat er niet genoeg “hernieuwbare lithium bestaat om het nodige aantal batterijen te produceren dat nodig is een economie die wereldwijd met elektrische voertuigen werkt.” Jacobson en Delucchi suggereren dan maar om meer te recycleren. Maar een wereld waarin ieder gezin een eigen auto heeft, is niet alleen onmogelijk maar zou ook enorm verspillend zijn. Zou het niet mogelijk zijn om tegen 2030 een degelijkse levenskwaliteit te hebben zonder iedere dag een uur of twee in de file te moeten staan om naar het werk en terug te rijden samen met misschien zes miljard andere pendelaars?

Waarom zou het niet mogelijk zijn om te bouwen aan een massaal systeem van openbaar vervoer op elektriciteit aangedreven waarbij ook kan gebruik gemaakt worden van lokale taxidiensten. Ervaringen uit het verleden wijzen er op dat dit mogelijk kan zijn. Om de planeet te vrijwaren, zou een socialistisch systeem de greep van de betonlobby doorbreken net zoals de macht van de auto-, olie- en andere sectoren. Het zou overgaan tot socialistische nationalisaties – niet zoals bij de banken of andere openbare diensten die met een totaal gebrek aan investeringen kampten terwijl de vroegere eigenaars grote compensaties kregen. Een socialistische nationalisatie zou de rijke eigenaren niet compenseren. Het zou de grote bedrijven uit de transport- en energiesector onder arbeiderscontrole en beheer plaatsen om tot een eengemaakte planning van de productie van transport en energie te komen. Dit plan zou democratisch worden opgemaakt met een actieve betrokkenheid van de arbeiders in de sector, gebruikers en de gemeenschap.

Een groot deel van het goederenverkeer terug op het spoor laten gebeuren, is een essentieel deel van een socialistische planning in de strijd tegen klimaatverandering. De privatisering van de Britse pakjesdiensten zorgt ervoor dat een pakje dat vanuit het zuidelijke Southampton naar het naburige Portsmouth wordt gestuurd niet onmiddelijk met een passagierstrein wordt meegestuurd, maar met een vrachtwagen naar het centrum van Engeland wordt gevoerd om van daaruit met een vrachtwagen naar Portsmouth te worden vervoerd. Hetzelfde gebeurt in heel het land en heel Europa. Het leidt tot een spectaculaire toename van het aantal vrachtwagens. Door het vrachtverkeer onder publiek bezit en gemeenschapscontrole te plaatsen, zou een einde worden gemaakt aan een verspilling van energie en CO² uitstoot.

De verspilling gaat nog veel verder. Marx en Engels wezen er al op dat het kapitalisme de industrie en handel steeds wil vernieuwen en daarbij de wereld verandert. Maar dit gebeurt niet om de basisbehoeften te voldoen of om de levenskwaliteit van de meerderheid van de bevolking te verbeteren. Integendeel, de arbeiders en onderdrukten moeten steeds strijden voor betere levensvoorwaarden en botsen daarbij op hard verzet van de kapitalistische klasse. Het kapitalisme probeert nieuwe behoeften te creëren en aarzelt niet om af te breken wat het eerder heeft opgebouwd. Om de nieuwe behoeften te voldoen, wordt steeds meer energie gezocht.

Hoeveel energie zou niet kunnen bespaard worden indien er niet zoveel overschotten aan wagens zouden worden gemaakt of indien er degelijke goederen zouden worden gemaakt die een leven lang meegaan? Het probleem daarbij vandaag is dat degelijke producten minder winst opbrengen. Ruim honderd jaar geleden – nog voor Henry Ford pionier was van de massaproductie met het Ford model T in 1908 – was het ondenkbaar dat zoveel consumptiegoederen goedkope brol zouden zijn. Vandaag is het ondenkbaar dat een huishoudtoestel of een wagen levenslag meegaat.

De ontwikkeling van zonnepanelen gebeurde erg traag in vergelijking met andere nieuwe technologieën. Toch vinden wetenschappers regelmatig nieuwe elementen om de mogelijkheden van zonnepanelen op te drijven. Een recente ontwikkeling zorgde voor een mogelijke toename van het potentieel met 25% (Lotus Leaf Effect Ramps Up the Power of Solar Cells, New Scientist, 28 November 2009). Een socialistische planning van de productie zou gebruik maken van deze wetenschappelijke kennis en zou de nodige investeringen doen om ze in te voeren. Er zouden dan een pak minder panelen nodig zijn om alle energie te voorzien.

De grotere schaal van productie zou de kost beperken. We zagen eerder hoe een grootschaliger productie de kost van breedbeeldtelevisies heeft verminderd tot een tiende van wat het ooit was. In een socialistisch systeem zouden zonnepanelen beschikbaar zijn voor ieder gezin, school en publiek gebouw. Scientific American ziet ook mogelijkheden zonder voor een socialistisch alternatief te pleiten, het wetenschappelijk blad stelt voor om zonnepanelen op de daken te plaatsen waarbij de kost hiervan volledig wordt terugbetaald door de goedkopere energie die er mee wordt opgewekt. Het ziet er echter niet naar uit dat dit soort kleinschalige individuele benadering zal volstaan. Het systeem zal moeten worden veranderd.

Jacobson en Delucchi gaan niet in op de handel in de emissierechten, ze zoeken oplossingen binnen het kapitalisme met subsidies en voordelen bij het gebruik van propere energie. Dat zal wereldwijd weinig effect hebben. Onder het kapitalisme blijft steenkool goedkoper dan wind of zonne-energie. Fossiele brandstoffen eisen een hoge ecologische tol, maar onder het kapitalisme wordt met die kost geen rekening gehouden. Uiteindelijk is het kapitalisme het probleem.

De auteurs stellen terecht: “Zoals we hebben aangetoond, zijn de obstakels voornamelijk van politieke aard, niet van technische aard.” Ze vrezen dat de kapitalistische regeringen zullen blijven buigen voor de kapitalistische belangen, tenzij er een “sterke leiding” komt die verandering brengt. Wij denken dat er enkel verandering mogelijk is door op te komen voor een socialistisch alternatief.