Text Size

Een terugblik op “De weg naar Wigan” van George Orwell

75 jaar geleden gaf uitgever Victor Gallancz groen licht aan George Orwell om een boek te schrijven over de gevolgen van de massale werkloosheid in het noorden van Engeland. We blikken terug op één van Orwells minder bekende werken die vandaag bijzonder relevant is tegen de achtergrond van de nieuwe opstoot van kapitalistische crisis.

Artikel door Peter Taaffe

George Orwell was wellicht de meest gekende socialistische Engelse schrijver van de jaren 1930 en 1940. Hij staat nog steeds bekend voor zijn boeken als “Hommage aan Catalonië” of “Boerderij der dieren” en “1984”. Een minder bekend werk voor de nieuwe generatie is “Weg naar Wigan”. Dat boek verdient het echter om beter bekend te zijn en dat niet alleen vanwege de analyse en krachtige veroordeling van het Britse kapitalisme in de jaren 1930. Het boek komt vandaag erg krachtig over omwille van de vergelijking met de huidige economische crisis en de gevolgen van die crisis op de voorwaarden waarin werkende mensen leven. Orwell brengt enkele opvallende inzichten over klasse, armoede en het socialistische “project”.

Er was geen pier meer in Wigan toen Orwell zijn boek schreef. Zijn “Road to Wigan Pier” was een metafoor voor de aftakeling van de Britse samenleving als gevolg van de kapitalistische ineenstorting. Wat zou hij vandaag overigens gezegd hebben van de nog grootschaliger deïndustrialisatie die onder Thatcher plaats vond en nog steeds verder gaat? Recent nog werd de Corus staalfabriek in Teesside in het noorden van Engeland stop gezet. In de vroegere “werkplaats van de wereld” is de industrie vandaag nog slechts goed voor 12% van het bruto binnenlands product.

Orwell brengt op een eenvoudige en begrijpelijke wijze een krachtig literair beeld van de verschrikkelijke omstandigheden waarin de arbeidersklasse in plaatsen als Wigan in het noorden van Engeland leefde. Zijn beschrijvingen van de gevolgen van de werkloosheid zijn treffend, zeker tegen de achtergrond van de sterk oplopende werkloosheid vandaag. Hij schreef: “Een ambtenaar vertelde me dat het echte aantal mensen dat werkloos is berekend kan worden door het officiële cijfer te vermenigvuldigen met meer dan drie. Dat betekent dat het aantal werklozen zo'n zes miljoen bedraagt.” Die vermenigvuldiging was onder meer nodig omdat een werkloze vaak nog moest instaan voor familieleden die niet in de cijfers voorkwamen.

In het boek wordt ook ingegaan op de “working poor”, werkende armen. Als die groep werd meegerekend met de werklozen, kwam je tot een totale arme bevolking van meer dan tien miljoen mensen. Een voedselexpert plaatste het aantal armen zelfs op 20 miljoen.

Er zijn natuurlijk een aantal zaken veranderd sinds de jaren 1930. Steeds minder families zijn afhankelijk van één inkomen, er werken meer vrouwen. Anderzijds is er geen verandering in het feit dat de officiële cijfers slechts een beperkt beeld van de realiteit geven. De Britse werkloosheid staat officieel op 2,5 miljoen mensen, maar wellicht ligt het reële cijfer een stuk hoger. Het is niet uitgesloten dat we in totaal tot een cijfer komen in de buurt komt van wat Orwell beschreef over de jaren 1930.

De armoede is ook veel sterker verspreid dan wat de statistieken aangeven. De wanhoop van arbeiders die door Orwell werd beschreven, is ook vandaag aanwezig. Zo was er eind vorig jaar een jonge vrouw in Hackney (Londen) die van een flatgebouw sprong en daarbij zichzelf en haar vijf maanden oud kind om het leven bracht omdat ze geen werk had, geen inkomen en geen onderdak.

De beschrijvingen van het leven van arbeiders zoals de mijnwerkers – een groep die nu zo goed als verdwenen is als gevolg van de deïndustrialisatie en de nederlagen van de jaren 1980 en 1990 – zijn onvergetelijk. Orwell bekent: “Ik ben geen handarbeider en hopelijk zal ik er nooit een worden, maar er zijn vormen van handenarbeid die ik zou kunnen uitvoeren als het moet... maar met geen enkele denkbare hoeveelheid werk of opleiding zou ik een mijnwerker kunnen worden, ik zou binnen de paar weken ten onder gaan.”

Orwell beschrijft de kleine ruimte waarin een mijnwerker soms moet werken, de lange tocht naar de werkplaats, de zware inspanningen die nodig zijn om het steenkool te ontginnen en de erg beperkte lonen. Dat zou de meeste mensen overtuigen om nooit een voet in een mijn te zetten, laat staan om de enorme inspanningen van een mijnwerker te verrichten. De grote rijkdommen van de bezittende klasse en de Britse samenleving is op deze harde arbeid opgebouwd.

Orwell legt uit: “Als ik ooit zestig word, zal ik misschien dertig boeken hebben geschreven. Dat is voldoende om twee schappen van een boekenkast te vullen. In dezelfde periode zal een gemiddelde mijnwerker 8400 ton kool omhoog hebben gebracht, dat is genoeg om Trafalgar Square twee voet diep te plaveien met steenkool. Het is ook genoeg om zeven grote families meer dan honderd jaar te laten verwarmen.”

De mijnwerkers zijn misschien verdwenen, maar de arbeidersklasse telt nog steeds hard werkende mensen die soms even intensief bezig zijn. Er zijn de moderne tegenhangers van de mijnwerkers in China bijvoorbeeld “sweatshops”. Als Orwell de armoede beschrijft, doet hij dat steeds met respect voor de arbeiders en door te wijzen op het feit dat ze onder dit systeem gebukt gaan.

We lezen over een mijnwerker die het over de veel te kleine behuizing heeft, als kind sliep hij met zijn tien gezinsleden in één kamer en daar werd niet bij stilgestaan. Als volwassene leefde deze mijnwerker met zijn vrouw in een klein achterhuisje waarbij je enkele honderden meter moest wandelen naar het toilet en daar vaak ook nog eens moest wachten omdat het sanitair werd gedeeld met 36 andere mensen. Dit soort omstandigheden zijn vandaag misschien niet meer aanwezig bij ons, maar het blijft wel aanwezig in het geheugen van de oudere generatie van werkenden.

Orwell is niet helemaal eenzijdig in zijn betoog. Hij beschrijft ook de positieve gemeenschapsgevoelens en de pogingen om iets te doen aan de moeilijke omstandigheden. Hij heeft het over herinneringen aan huiskamers bij arbeidersgezinnen die hem eraan herinneren dat we uiteindelijk niet in zo’n slechte periode leven. Toch brengt hij een scherpe veroordeling van de gevolgen van het Britse imperialisme dat heeft geleid tot “sloppenwijken en donkere achterkamers met zieke, oude mensen die opeengestapeld zitten. Het is een soort plicht om af en toe dergelijke plaatsen te zien en te ruiken, om zeker niet te vergeten dat ze bestaan, maar je blijft er het liefst niet te lang.”

Het boek bestaat in essentie uit een gedetailleerde bijna forensische analyse van het klassensysteem. In de jaren 1930 werd het bestaan op zich van dit klassensysteem ter discussie gesteld. Orwell beschrijft niet alleen het benarde lot van de arbeidersklasse maar ook de aftakelende omstandigheden waarin de middenklasse leefde. Hij sabelt de arrogante houding neer van wat uiteindelijk zijn eigen klasse is, de middenklasse. Daar is iedere kostenpost een nachtmerrie en iedere luxe, zelfs een glas bier, een extravagante uitgave. “Het hele gezinsinkomen dient om de schijn hoog te houden.”

Orwell stelt dat hij zelf is geboren in de “lagere hoge middenklasse” of “eerder sub-kaste”. Hij is erg eerlijk over zijn vroegere vooroordelen, zijn afkomst,... Hij schrijft: “Toen ik veertien of vijftien was, was ik een verfoeilijke kwal.” Tegelijk beschrijft hij de periode na de Eerste Wereldoorlog: “Engeland stond dichter bij revolutie dan wat sindsdien ooit het geval was of wat in de eeuw ervoor het geval is geweest.” Deze radicalisering trof ook de middenklasse, zoals Orwell beschrijft aan de hand van zijn ervaringen op een (private) school. Toen zijn klasgenoten de vraag kregen wie voor hen de tien belangrijkste levende historische figuren waren, vermeldden er vijftien van de zestien Lenin. Orwell beschrijft ook hoe het boek “The people of the Abyss” van Jack London een grote indruk op hem maakte en een socialistische overtuiging meegaf.

Orwell pleit voor duidelijke en eenvoudige taal. Hij verkiest het woord “dieven” als hij het over de bazen heeft. Hij gaat er wel te ver in als hij zich verzet tegen het gebruik van het woord “kameraad” in de arbeidersbeweging. Dat is een goede term, ook al klinkt het misschien wat vreemd voor wie pas in aanraking komt met socialistische ideeën. Het legt immers de nadruk op het feit dat we samen opkomen voor socialisme. Orwell doet ook wat minachtend tegenover socialistische theorie en andere schrijvers.

Er zijn ook andere zwakkere elementen in het boek, het belangrijkste is wellicht de onderschatting van het bewustzijn en de actiebereidheid van de arbeiders. Orwell bekritiseert de “passiviteit” die hij zag in Wigan en elders. Hij onderschat de gevolgen van de nederlaag van de algemene staking van 1926 en de gevolgen van de massale werkloosheid, maar vooral ook het ontbreken van een efficiënte leiding van de arbeidersklasse. Dergelijke problemen doen zich vandaag overigens ook voor in de arbeidersbeweging.

Hij is onverbiddelijk in zijn veroordeling van wat hij omschrijft als “champagne socialisten”: “Een sombere tak van hooggeplaatste vrouwen en sandalendragers, bebaarde fruitsapdrinkers die op de geur van vooruitgang afkomen als bromvliegen op een dode kat.” Dergelijk taalgebruik zou vandaag volledig misplaatst zijn. Zaken als vegetarisme, yoga of het dragen van sandalen is immers niet langer het voorrecht van de middenklasse.

Het soort leiders of pseudoleiders waar Orwell zich tegen afzet, vind je anderzijds wel nog steeds in de arbeidersbeweging. Er zijn ook nog steeds carrièristen. Orwell is gepassioneerd door het socialisme en de noodzaak ervan, hij probeert het uit te leggen op een eenvoudige – soms simplistische – wijze. In zijn essay “De leeuw en de eenhoorn” schrijft hij bijvoorbeeld: “Engeland is een familie waarin de foute familieleden het voor het zeggen hebben.”

De literaire kritiek op radicale schrijvers is erg scherp en niet altijd accuraat als hij deze schrijvers en zichzelf omschrijft als “een snob en een revolutionair”. Hij brengt ook een eenzijdige aanval op de industrialisatie. Maar los daarvan wijst hij op een aantal elementen die essentieel zijn voor een menselijke benadering van werk. De vernietigende gevolgen van werkloosheid wordt vandaag even sterk gevoeld als in de tijd van Orwell, wie zijn baan verliest heeft geen belang meer in deze samenleving. Het is schandalig dat er vandaag opnieuw een miljoen Britse jongeren zonder werk zitten en daarom geen toekomst hebben.

Het antwoord van Orwell is terecht en duidelijk: de situatie kan niet recht worden gezet “indien we geen efficiënte socialistische partij hebben. Dat moet een partij zijn met oprechte revolutionaire doelstellingen en ze zal numeriek sterk genoeg moeten zijn om te handelen.” Een dergelijke taak staat ook vandaag voor ons.

Deze woorden zijn nog steeds erg raak. Dat geldt des te meer omdat de huidige periode heel wat gelijkenissen kent met de periode die werd beschreven door Orwell. “Het moet nauwelijks opgemerkt worden dat we op dit ogenblik een serieuze puinhoop kennen, zo ernstig dat zelfs de saaiste idioot het moeilijk kan ontkennen.” Dat klinkt bekend in de oren. Hij vervolgt: “Voor grote groepen arbeiders zijn de levensvoorwaarden zoals ik ze heb beschreven in de eerste hoofdstukken van dit boek en er ze zien geen kans op fundamentele verbetering. Zelfs de middenklasse voelt de problemen.”

Zijn conclusie? “Terwijl iedereen die wat nadenkt weet dat socialisme als wereldsysteem en indien volledig doorgevoerd een uitweg vormt. Socialisme is zo’n elementair gezond verstand dat ik er soms van versteld sta dat het nog niet tot stand is gekomen. De wereld heeft het potentieel om in alle behoeften van iedereen te voorzien, het idee dat we moeten samenwerken en dat iedereen zijn deel van het werk moet doen om een deel van de voorzieningen te krijgen, lijkt zo voor de hand liggend dat het moeilijk is om te zien wie dit niet zou aanvaarden tenzij er belangen zijn om vast te houden aan het huidige systeem.”

Dat is eenvoudig gesteld maar het klopt wel. In andere commentaren over de moeilijkheden om voor socialisme te pleiten, haalt hij uit naar het stalinisme (zonder dat bij naam te noemen) en de rechtse verkozenen van de Labour Party. Hij bekritiseert ook die schrijvers die geen aandacht hebben voor de problemen en strijd van de arbeiders. Het boek “De weg naar Wigan” is heel goed en het is de moeite om het opnieuw van onder het stof te halen, zeker voor de nieuwe generatie die naar oplossingen zoekt voor de chaos van het kapitalisme zoals dit door Orwell wordt beschreven.

We zouden vandaag ook mensen als Orwell moeten hebben die een beeld brengen van het leven, werk en problemen van de arbeiders en tegelijk ook enthousiast deelnemen aan de strijdbewegingen van de arbeidersbeweging en opkomen voor een socialistische wereld. Zij zouden een artistieke uitdrukking kunnen geven in een meer complexe wereld en een veranderde arbeidersklasse om zo de strijd die er zit aan te komen te versterken met hun boeken en kunstwerken.