Text Size

Op een andere planeet… “Red planets: Marxism and science fiction”

“Red planets: Marxism and science fiction”Science fiction moet serieus worden genomen. Dat is de centrale boodschap van de inleiding op een nieuwe collectie van essays die werd verzameld door Mark Bould en China Miéville. “Gedurende het grootste deel van het bijna 80 jarige bestaan van science fiction als afzonderlijk genre werd het steevast afgedaan als een kinderlijke uitdrukking van een afstompende massacultuur, een vernedering van de literatuur door de fantastische elementen en middelmatige vorm.”

Recensie door Manny Thain uit het magazine Socialism Today

Het doel van dit boek is om de balans recht te trekken. Het boek levert enkele interessante ideeën op, maar het blijft een erg gemengd geheel. De kern van de discussie wordt samengevat door Bould die stelt dat SF het “radicale potentieel voor een totaal andere visie over hoe de wereld er uit ziet” kan aantonen en zich op die manier nuttig kan maken voor radicale opvattingen.

Matthew Beaumont gaat in de tijd terug en brengt een analyse van een schilderij uit 1533, “De ambassadeurs” van Hans Holbein de Jonge. In dat schilderij staan twee hoogwaardigheidsbekleders tussen een aantal wetenschappelijke instrumenten en andere items die symbool staan voor het opkomende kapitalisme en de koloniale macht. Op de voorgrond is er een Memento Mori, een herinnering aan de sterfelijkheid. Dit laatste is echter enkel duidelijk zichtbaar indien de kijker vanaf de grond en vanuit de linkerhoek van het schilderij kijkt (zie deze video). Vanuit dat standpunt worden de ambassadeurs zelf vervormd. Dit alternatieve perspectief kan dus ook worden gebruikt om de waarden van het systeem en de samenleving op het schilderij ter discussie te stellen.

Voor Beaumont is dit potentieel een erg politiek standpunt omdat het aantoont “hoe de realiteit kan veranderen.” Dit wordt doorgetrokken naar SF omdat de “aliens” ook ons standpunt veranderen en wijzen op het tijdelijke karakter van onze samenleving.

William J Burling gaat dieper in op een SF-roman: “De ontheemde” van Ursula Le Guin uit 1974. In dat boek probeert de auteur een beeld te geven van de vorm die muziek kan aannemen indien noch religie noch goederenuitwisseling een factor vormt. “De ontheemde” biedt een beeld van een post-kapitalistische samenleving op de planeet Anarres en een kapitalistische samenleving op Urras. Op Anarres is de muziek gebaseerd op live performance en wordt het niet gereproduceerd met technologie. Er zijn geen virtuozen, geen bekende artiesten, geen uitbuitende managers, geen platenbedrijven en geen verkoopstrategieën.

De harde omgeving en beperkte natuurlijke en arbeidsreserves ondermijnen er wel de persoonlijke vrijheden. Die beperkingen maakten het onmogelijk om een echt democratisch georganiseerde socialistische samenleving tot stand te brengen. Wat Le Guin dus eigenlijk in beeld brengt is een vorm van verwrongen beeld van een socialistische samenleving die eerder aan het stalinisme doet denken, ook al blijft het een open vraag in welke mate Le Guin zich daar bewust van was.

De kunst zoals we het vandaag kennen, bestond niet voor het kapitalisme. Het is verbonden aan de kapitalistische productiewijze en een onderdeel van de burgerlijke cultuur. Kunst in een toekomstige socialistische samenleving zou totaal anders zijn. Burling komt tot de conclusie dat het zo goed als onmogelijk is om toekomstige alternatieven gedetailleerd te omschrijven.

Er is een klein, maar groeiend subgenre dat bekend staat als post-singulariteit SF. De singulariteit staat voor het ogenblik dat de mensheid in staat zou zijn om een technologische grens te overschrijden waardoor er een post-menselijke ontwikkeling is waarbij mensen worden vervangen door machines of hun brein en lichaam samenvoegen met vormen van kunstmatige intelligentie.

Steven Shaviro wijst terecht op de absurditeit van één van de centrale figuren uit dit subgenre, Ray Kurzweil. “Na de singulariteit verzekert Kurzweil ons gezondheid, rijkdom en onsterfelijkheid – om het nog niet te hebben over de coolste computergames en simulaties – en dat allemaal zonder enige kost. Schaarste zou iets van het verleden zijn.” Er wordt echter niet ingegaan op de fundamentele politieke en sociale elementen en keuzes dat dit met zich zou meebrengen. De toekomst van Kurzweil blijft gebaseerd zijn op het privaat bezit en op kapitaalsaccumulatie – en daarom op uitbuiting en ongelijkheid. Dit maakt eigenlijk nogmaals duidelijk dat het soms moeilijk is om voorbij het kapitalisme te denken.

Sherryl Vint houdt een vurig pleidooi voor het uitbreiden van dierenrechten op basis van ons groter begrip van de leef- en gevoelswereld van dieren en van hun sociale interacties tussen elkaar, met andere dieren en met mensen. Ze gaat hierop verder en stelt: “Dit essay zal een nieuw concept bieden van de orthodoxe arbeidswaardeleer van het marxisme door in te gaan op de gelijkenissen tussen de kapitalistische vervreemding onder arbeiders die beperkt worden tot hun arbeid en de exploitatie van het milieu in het algemeen (en van andere soorten in het bijzonder)”.

Het probleem voor Vint is dat de arbeidswaardeleer niet meteen een theoretisch kader biedt om op dierenrechten in te gaan. De arbeidswaardeleer van Marx legt uit hoe menselijke arbeidskracht de basis vormt voor nieuwe waarde waarbij de winst van de kapitalisten voortkomt uit de niet betaalde arbeid van de arbeiders. Dat is de basis voor de uitbuiting van de arbeiders en het vormt ook de basis voor klassenstrijd. Uiteraard worden dieren onder het kapitalisme op heel wat manieren gebruikt, als voedselbron, bij experimenten, als huisdieren,… Op een aantal vlakken kan je stellen dat ze worden uitgebuit. Maar het is niet nuttig om de arbeidswaardeleer aan te halen om op te komen voor een betere behandeling van dieren. Enkel een democratisch georganiseerde socialistische planning zou ons toelaten om de ecosystemen en natuurlijke rijkdommen van de planeet te behouden en om er zorgzaam mee om te gaan.

Iris Luppa gaat in op de linkse kritieken op SF-films tijdens de Weimar republiek in Duitsland (1919-33). Een eerste opvallende vaststelling daarbij is de omvang van de linkse media op dat ogenblik met een aantal verschillende dagbladen en tijdschriften die op een massale schaal werden verspreid. Er waren zelfs specifieke filmtijdschriften vanuit de socialistische beweging. Die tijdschriften kwamen doorgaans op voor de verspreiding van Sovjet-films en alle door de grote bedrijven ondersteunde films werden afgebroken als onderdeel van de burgerlijke ideologie binnen de filmindustrie.

Rob Lathom gaat in op de stedelijke vraagstukken binnen de Nieuwe Golf SF. Hij stelt dat het standpunt dat de SF in de jaren '20 en '30 grotendeels naïef of reactionair was simplistisch is en dat een deel van de SF progressieve opvattingen omarmde. Hij verwijst daarbij naar de beweging van de “verlichte technocratie” in de jaren '20 waarbij werd opgekomen voor een versterking van het wetenschappelijk onderwijs. Er werd ook verwezen naar de “volksfrontactiviteiten van de Jonge Communistische Liga in de jaren '30 die een invloed hadden op de groep van de futuristen (waaronder Isaac Asimov, Frederik Pohl en CM Kornbluth.” Lathom stelt dat deze invloed er pas kwam na de Tweede Wereldoorlog met de consolidatie van de VS als wereldmacht. Dit zorgde ervoor dat “de verbeelding en waarden van SF in politiek vaarwater terecht kwamen en werden gezien als gevaarlijk, bijvoorbeeld door de vergelijking te maken met de toonaangevende pro-fascistische filmbeelden.”

Begin jaren '70 kwam de zogenaamde Nieuwe Golf van de SF op de voorgrond. Dat gebeurde op een ogenblik dat verschillende steden een ernstige crisis kenden. In 1975 vroeg New York een federaal reddingsplan om het bankroet te vermijden en om de diensten gaande te houden. De middelen voor openbaar vervoer, onderwijs en andere sociale diensten lagen onder vuur. Het zou het begin vormen van een neoliberaal offensief met privatiseringen en besparingen op de openbare diensten, wat onder meer leidde tot een versterking van de ghetto’s van kleurlingen en armen.

Lathom verwijst naar het boek “334” van Thomas Disch uit 1974. Dat boek handelt over 3.000 huurders in 812 appartementen op 21 verdiepingen in een woonblok en dat in het derde decennium van de 21ste eeuw. Een bureaucratie (Modicum) controleert de huisvesting en andere diensten. Volgens Lathom is “334” zonder enige twijfel “de meest opvallende benadering van de stedelijke crisis in de periode van de Nieuwe Golf.” Het zou wijzen op de onderliggende spanningen tussen het potentieel van rijkdomcreatie aan de ene kant en de ongelijke verdeling van de middelen aan de andere kant. Er wordt gesteld dat het verlenen van diensten een centraal onderdeel van de klassenstrijd is.

In het laatste essay gaat Darren Jorgensen in op enkele marxistische academici. Daarin worden een aantal belangrijke opmerkingen gemaakt over het karakter van marxistische academici. Jorgensen heeft het over de Franse filosoof Althusser, een invloedrijke theoreticus van de Communistische Partij van Frankrijk (PCF). Althusser volgde tijdens mei '68 de partijlijn en nam niet deel aan de revolutionaire gebeurtenissen in Parijs. Hij keek toe vanuit zijn raam en volgde de stalinistische partijlijn toen hij de studenten afdeed als kinderachtige activisten. De PCF slaagde er niet in om de stakingen en bezettingen uit te breiden om het kapitalistische bewind ter discussie te stellen.

Voor Jorgensen was dit het onbedoelde resultaat van het falen van de revolutionaire bewegingen in de jaren '60: “De nieuwe linkerzijde kreeg intellectuele geloofwaardigheid in het westen, maar dit ging ten koste van revolutionaire verandering. Het is niet verbazend dat de methoden van deze nieuwe linkerzijde het falen reproduceren.” Dat is een harde kritiek op linkse academici en het biedt een zekere verklaring voor het inherente cynisme en pessimisme in die kringen. Voor revolutionaire marxisten is de combinatie van theoretisch begrip en praktische toepassingen nog steeds van essentieel belang.

Heel wat van de thema’s die in “Red Planets” aan bod komen zijn interessant. Maar het boek vervalt soms in een pretentieuze benadering waarbij academici zich richten tot andere academici en dit doen in hun eigen exclusieve taal, op hun eigen planeet als het ware. Anderzijds valt er iets te zeggen voor de doelstellingen van de redacteurs die de bundeling essays bijeen brachten. SF kan inderdaad naast entertainment ook een rol spelen in het beschrijven en het ter discussie stellen van de kapitalistische samenleving, morele dilemma’s naar voor brengen en toekomstige samenlevingen omschrijven. Dat kan, maar dan is er vooral nood aan goede radicale schrijvers.