Text Size

“De eeuwige terugkeer van het fascisme”. Rob Riemen brengt enkel vaak weerkerende clichés

De columnist Rob Riemen brengt met het boekje De eeuwige terugkeer van het fascisme een opvallende kritiek op rechtse populisten. De titel lijkt wat te choqueren, Wilders wordt zomaar een fascist genoemd. Benieuwd naar hoe Riemen het fascisme dan wel omschrijft en welke antwoorden hij erop brengt, lazen we zijn essay. Het resultaat was ergernis bij het lezen van zoveel clichés.

Recensie door Geert Cool

Het is geen toeval dat dit boek (64 pagina’s) positief werd onthaald in liberale kringen, zo publiceerde het Belgisch dagblad De Morgen (1 december) een volledige pagina waarin de liberale coming man Mathias De Clerq het boek bespreekt. In die bespreking valt geen kritische noot te lezen. In de eindejaarsvragen van Humo verwees ook VLD-voorzitter De Croo naar het boek. Dit is blijkbaar het soort argumentatie dat een liberaal anti-fascisme voedt. Wij hebben als socialisten een ander uitgangspunt en kunnen ons niet herkennen in de liberale standpunten. Bij het lezen van dit boek wordt dat erg duidelijk.

Als Wilders een fascist kan worden genoemd en het fascisme daarom terug op de agenda staat, dan moet uiteraard een duidelijke definitie van fascisme worden gegeven. Daar wringt het schoentje al. Voor Riemen – en daartoe verwijst hij naar Camus – is het fascisme een soort pestbacil, dat “nooit uitsterft en nooit definitief verdwijnt.” Hij vervolgt: “Willen we hem adequaat kunnen bestrijden, dan zullen we allereerst moeten erkennen dat hij opnieuw actief is in ons maatschappelijk lichaam en benoemen wat hij is: fascisme.”

Riemen heeft gelijk als hij stelt dat er geen taboe op termen moet worden gekleefd en het klopt dat de term “fascisme” vandaag niet populair is. Wij gebruiken de term “neo-fascisme” voor formaties als het Vlaams Belang (België), de NPD (Duitsland) of de FPÖ (Oostenrijk). Deze partijen bouwen verder op de tradities van het fascisme en proberen een kader in deze ideologie te vormen, maar ze moeten tegelijk rekening houden met de gewijzigde objectieve voorwaarden waarin hun standpunten nog geen actieve massa-aanhang kunnen krijgen. Dat maakt dat neo-fascisten zich op de populistische methode moeten beroepen om electorale steun te verwerven. Tegelijk zijn ze niet in staat om op grote schaal de arbeidersbeweging fysiek onderuit te halen en te breken, zoals dit bij de klassieke fascisten in de jaren '20 en '30 het geval was. Vanwege die verschillen houden wij het op “neo-fascisme”. Iemand als Wilders zouden we niet in dezelfde categorie onderbrengen. Hij maakt gebruik van dezelfde populistische methode als de neo-fascisten, maar bij Wilders is er enkel de methode. De man staat moederziel alleen en slaagt er niet eens in een degelijke partij rond zich te verzamelen.

Het probleem met het boek van Riemen is dat hij fascisme als iets moreel ziet. Hij stelt dat Mussolini en Hitler “vertegenwoordigers van de politisering van een geestesgesteldheid” waren. En die geestesteldheid “begon lang voor hun verschijnen op het toneel in Europa tot ontwikkeling te komen.” Niets klassenanalyse, niets van strijd en nederlagen die ruimte creëren van een uiterst reactionaire vorm van kapitalisme waarmee een deel van de burgerij wil experimenteren om de arbeidersbeweging een fundamentele nederlaag toe te brengen. Nee, dat alles komt niet aan bod bij Riemen die het fascisme ziet als een “geestesgesteldheid”. Met andere woorden: het is de schuld van de mensen zelf.

Dat laatste laat Riemen met zoveel woorden zeggen door de Tocqueville in wat volgens Riemen een omschrijving van de eerder genoemde geestesgesteldheid is: “Ik zie een menigte van ontelbare mensen, allemaal gelijk en eender, die rusteloos door elkaar krioelen om zich de banale en vulgaire geneugten te verschaffen waarmee ze hun ziel verzadigen. Ieder van hen, teruggetrokken en geïsoleerd, is als een vreemde voor het lot van alle anderen.” Riemen verwijst naar een Spaanse filosoof die het had over de massamaatschappij. En de massa, daar zijn liberale filosofen uiteraard niet tuk op. De massamens vormt een bedreiging voor de waarden en de idealen van het humanisme. “De massamens wil niet geconfronteerd, laat staan belast worden met geestelijke waarden. Er is geen maat, waarde of waarheid die boven hem gesteld kan worden en die hem beperkingen zou kunnen opleggen. Voor de massamens dient het leven altijd gemakkelijk en overvloedig te zijn; de tragiek van het bestaan kent hij niet. Alles is geoorloofd, want beperkingen kent hij niet.”

Hoe wordt de geestesgesteldheid van brede lagen van de bevolking bepaald? Op die vraag komt er geen enkel antwoord in het boek. Het blijft bij oppervlakkige clichés over de ‘massamens’. Dat is niet nieuw, toen het Vlaams Blok twintig jaar geleden begon op te komen, hadden intellectuelen het ook al over die domme tv-kijkers. Dat klinkt misschien niet zo filosofisch en Ortega y Gasset heeft daar niets over gezegd, maar het is in essentie wel hetzelfde standpunt. De mensen zijn dom en laten zich meeslepen in een massahysterie waardoor het fascisme, als uitdrukking van een geestesgesteldheid, terug aan de orde van de dag is. Domheid is van alle tijden, het kan zich soms wat verbergen, maar het komt altijd terug bij de massamens. Van dat soort analyses krijgen wij het op onze heupen. Het ontbreekt immers aan elke materiële onderbouwing. Marx stelde dat het zijn in laatste instantie het bewustzijn bepaalt. Voor Riemen is dat omgekeerd: eerst is er een bewustzijn (hij zal het wel omschrijven als een gebrek aan bewustzijn, maar is ook dat geen vorm van bewustzijn?) en daarop kan een maatschappelijke uitdrukking (het zijn) groeien. En hoe wordt dat bewustzijn dan bepaald? Daar heeft Riemen net zoals alle andere filosofische idealisten geen enkel antwoord op.

Riemen doet zijn best om de domme massa’s zoveel mogelijk te beledigen. “Angst en begeerte regeren het gedrag van de massa. En wanneer deze massa gaat regeren, wanneer de democratie een massademocratie is geworden, dan zal de democratie ophouden te bestaan.” Elitair, zei je? Riemen probeert te nuanceren. Hij is wel degelijk voorstander van gelijkheid. Maar ook dan gaat het voor hem om een geestesgesteldheid, met name: “het universele vermogen je ziel te verheffen, in waarheid te leven, recht te doen, schoonheid te scheppen.”En dat heeft niets te maken met de wijze waarop gelijkheid als iets materieels naar voor werd gebracht door de arbeidersbeweging. Dat zorgt voor het perverteren van alle waarden. Anders gezegd: “In deze maatschappelijke cultuur is er een voortdurende tendens naar het laagste punt, omdat daar altijd de grootste gemene deler van mensen ligt. Daarom zal het universitaire onderwijspeil ook zo sterk dalen dat ‘iedereen’ kan studeren – en een diploma halen. En voor de kunsten zal gelden dat zij voor iedereen toegankelijk moeten zijn, niet alleen in de betekenis van betaalbaar, maar ook in de betekenis van begrijpelijk. Want de grootste rancune is gericht op alles wat moeilijk is.” Bij het lezen van dat soort stellingen, stel je natuurlijk onmiddellijk de vraag waar Riemen zichzelf plaatst en hoe hij zich verhoudt tot de samenleving. Het lijkt er op dat hij zichzelf als onderdeel van de elite ziet en daarom heel ver boven de domme massamens staat. De kritieken dienen om de collega’s van de elite wakker te schudden om de samenleving niet aan de nihilistische massamens over te laten. Die zijn immers toch maar ”bezeten door het triviale en ontvankelijk voor demagogie, vol van ressentiment en angst.” En dat is voor Riemen natuurlijk de basis voor Wilders, net zoals het eerder de opmars van Hitler mogelijk maakte. Samengevat: het is de schuld van de domheid van de televisie-kijkers.

Beledigingen mogen nog erg mooi verpakt worden in citaten van toonaangevende filosofen, het blijven beledigingen die niemand overtuigen. Riemen maakt een aantal vaststellingen over hoe de samenleving een gebrek aan diepgang te bieden heeft, hoe eenzijdige massacultuur de bovenhand haalt,… Maar hij slaagt er niet in om dat te verklaren, tenzij door het beledigen van de “massamens”. Waar komt echter die tendens tot afvlakking en commercialisering vandaan? Heeft dat niets te maken met een kapitalistisch systeem waarin enkel de winsten van tel zijn en waar de werkende bevolking braaf moet worden gehouden door hen af en toe wat duur brood en slechte spelen aan te bieden?

Volgens Riemen kon het fascisme in Italië en Duitsland ”op democratische wijze de politieke macht veroveren” en dit was “in hoge mate het gevolg van zowel de zelfoverschatting als de lafheid en het verraad van de maatschappelijke elites.” De massamens was al verloren, maar ook een deel van de elite heeft toegegeven aan het pestbacil. Eerder haalde Riemen Menno ter Braak aan die stelde dat een aantal intellectuelen een uitdrukking vormen van “half-beschaving: ze hebben veel boeken gelezen, maar de kritische geest is allang geweken.” Als er geen efficiënt verzet tegen Hitler was, dan “had dit alles te maken met de corrumpering van de elites die niet de moed konden opbrengen om hun principes en maatschappelijke verantwoordelijkheid trouw te blijven.” Als dit echt de wijze zou zijn waarop de geschiedenis ontwikkelt, dan staan we er vandaag niet goed voor in ons land of in andere. De politieke elite rolt al vechten over straat. Veel “moed” – al was het maar vijf minuten politieke moed – moet er in die kringen niet worden gezocht. Als we de redering van Riemen volgen, staat het fascisme bij ons al in de deuropening.

Gelukkig verloopt de geschiedenis in de echte wereld op een andere wijze. De geschiedenis totnogtoe blijft er een van klassenstrijd. Hitler en Mussolini konden aan de macht komen na zware nederlagen van de arbeidersbeweging en met de steun van een deel van het grootkapitaal dat de eigen positie wilde veilig stellen en een einde wou maken aan zowel de arbeidersbeweging als de politieke instabiliteit. Vandaag is er geen sprake van zware nederlagen van de arbeidersbeweging, de strijd in Europa zit pas in een beginfase. Ondanks de onvermijdelijke tijdelijke terugvallen en pauzes in de ontwikkeling van die strijd, is er nog steeds een opgaande fase. Dat is een totaal andere situatie dan in het Italië van de jaren '20 of het Duitsland van de jaren '30 waar de arbeiders zware nederlagen achter de rug hadden na revolutionaire confrontaties. Over Italië verwijzen we graag naar dit artikel en over de opkomst van het Duitse fascisme naar dit artikel.

Voor Riemen is dit de definitie van fascisme: ”de politisering van de geestesgesteldheid van de rancuneuze massamens.” Hij voegt er aan toe: ”Het is een politiek van volksmenners die geen andere motieven meer kennen dan de handhaving en uitbreiding van hun macht, die daartoe ressentiment exploiteren, zondebokken aanwijzen, haat verspreiden, een intellectuele leegte verbergen achter uitgeschreeuwde slogans en gescheld, en met hun populisme het opportunisme in de politiek tot kunst verheffen.” De vraag werpt zich natuurlijk op welke traditionele politicus niet in de definitie valt? Als we naar de elite kijken, kan worden vastgesteld dat deze hun eigen macht willen uitbreiden en niet aarzelen om daartoe op een verdeel-en-heerspolitiek in te spelen en handige slogans naar voor proberen te brengen (al dan niet op aangeven van reclamebureaus die betaald worden om te weten wat werkt bij de “massamens”…). Of meent Riemen sprankels van ideologie waar te nemen bij de traditionele politici? Hij schrijft zelf: ”Verkiezingen zijn gereduceerd tot een inhoudsloze kermis van trivialiteiten.” Zijn het dan allemaal fascisten?

Tot slot nog een uitsmijter voor wie een korte beschrijving van filosofisch idealisme wil. ”Zelden of nooit is er een echte visie en wordt er blijk gegeven van het besef dat de essentie van onze crises een beschavingscrisis is, dat de financiële crisis de facto een morele crisis is die met meer toezicht niet wordt opgelost, dat we zonder de taal van de muzen nimmer onze diepste ervaringen en emoties kunnen peilen noch verwoorden, en dat al het geweld niet wordt uitgebannen met meer wetten en strengere straffen, maar alleen door de ontwikkeling van een geweten.” Wie meldt even aan de miljoenen nieuwe werklozen als gevolg van de crisis of de 15% armen in ons land dat ze met een ‘moreel’ probleem zitten?