Text Size

De eerste stappen van de Amerikaanse linkerzijde

Recensie van “James P Cannon and the origins of the American revolutionary left, 1890-1928”

Dit recente boek van Bryan D Palmer is een belangrijke aanvulling op de historische literatuur over een cruciale periode voor de Amerikaanse arbeidersbeweging. Het boek gaat in op de eerste activiteiten van Cannon als activist voor de “Wobblies”, zijn betrokkenheid als jonge leider van de nieuwe Amerikaanse Communistische Partij en dat tot aan het punt waarop hij uit deze partij werd gesloten wegens zijn steun aan de opvattingen van Leon Trotski en de Internationale Linkse Oppositie.

Recensie door Niall Mulholland uit Socialism Today

In tegenstelling tot veel andere academische werken over de geschiedenis van de linkerzijde, staat dit boek van Palmer sympathiek (maar niet onkritisch) tegenover het voorwerp van onderzoek. Er is soms een tendens om te sterk op details te focussen waarbij een kennis van belangrijke nationale en internationale bewegingen van de arbeidersklasse nodig is. Het boek omvat meer dan 150 pagina’s voetnoten.

James Patrick Cannon is geboren op 11 februari 1890 in een arbeidersbuurt van Rosedale, Kansas. Zijn ouders waren in Engeland geboren kinderen van Ierse migranten die de hongersnood van de jaren 1840 en 1850 waren ontvlucht waarna ze in de jaren 1880 naar de VS trokken. James Patrick’s vader, John Cannon, was een “overtuigde Ierse Republikein” die al snel actief werd in de opkomende Amerikaanse arbeidersbeweging.

Palmer gaat op de jeugd van Cannon in door te putten uit nooit eerder gepubliceerde autobiografische teksten die Cannon in de jaren 1950 schreef. Onder druk van de economische omstandigheden verliet Cannon op 12 jaar de school om in de lokale vleesindustrie te werken. Hij trok vaak naar lokale publieke bibliotheken en las heel veel, onder meer de boeken van Upton Sinclair en Jack London. Hij volgde zijn vader toen die lid werd van de Amerikaanse Socialist Party (SP). Volgens Palmer was die partij een “erg breed amalgaam van marxisten uit de migratie, autochtone radicalen, hervormingsgezinde boeren en arbeiders.” Het potentieel voor de ontwikkeling van een massaal socialistisch alternatief bleek al voor de Eerste Wereldoorlog. Palmer wijst op de verkiezingscampagne van Eugene Debs voor de Socialist Party. Op de meetings met Debs waren er honderdduizenden aanwezigen en hij haalde een “nooit geziene” 6% bij de presidentsverkiezingen van 1912.

In 1911 bleef Cannon niet langer gewoon “sympathisant” van de Socialist Party maar sloot hij zich aan bij de “revolutionaire” vleugel van de beweging. Dat was nadat hij in contact was gekomen met de Industrial Workers of the World (IWW), ook bekend als de Wobblies. De IWW leek alle antwoorden te hebben waar Cannon naar zocht: “alle arbeiders organiseren in een grote vakbond om een einde te maken aan het kapitalisme. Een samenleving die door de arbeiders zelf wordt beheerd.”

Via de IWW kwam Cannon in contact met socialistische vormingsbijeenkomsten waar over de opvattingen van Marx werd gediscussieerd. Het bracht hem ook in contact met de Amerikaanse Socialist Labour Party (SLP) van Daniel DeLeon. Cannon omschreef de SLP-leider later als “formalistisch en rigide” en “sectair op tactisch vlak”. Palmer stelt dat heel wat militanten, waaronder Cannon, onder invloed van DeLeon tot een revolutionaire positie kwamen.

Cannon zou al gauw zijn talenten ontwikkelen als agitator en spreker voor de Wobblies. Hij was op de IWW-conventie in Chicago in 1912, het “hoogtepunt van de beginperiode van de IWW”. Onder de vleugels van de algemene secretaris van de IWW, Vincent St John, trok de 22-jarige activist vervolgens naar zijn eerste staking, een conflict in de automobielsector in Jackson, Michigan. Van 1911 tot 1913 nam Cannon deel aan verschillende strijdbewegingen van de arbeidersklasse, onder meer de staking van rubberarbeiders bij Akron in 1913. Cannon zag daarbij regelmatig geweld van het patronaat en de politie tegen stakers.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden de beperkingen van het syndicalisme van de IWW duidelijk. Palmer stelt: “De Wobblies hadden een instinctieve afkeer om te vechten in een oorlog waarin de arbeidersklasse geen belangen had, maar ze kwamen nooit echt tot een aangepaste internationalistische positionering.”

Cannon had het steeds over de moed en zelfopoffering van de Wobblies en stelde dat deze beweging cruciaal was in de ontwikkeling van de revolutionaire stroming in de VS. Maar hij had ook kritiek op het feit dat de IWW zich niet engageerde op politiek vlak. Hierdoor bleef de strijd van de Amerikaanse arbeiders beperkt tot de werkvloer.

De IWW was in 1905 opgericht als revolutionaire vakbond met syndicalistische standpunten waarbij er verzet was tegen een deelname aan politieke strijd. Samen met de harde repressie tijdens en na de oorlog zou dit leiden tot een stagnatie en afbrokkeling van de IWW in de jaren 1920.

De politieke verwarring van de IWW tijdens de oorlog en de armoedige omstandigheden waarin zijn jonge gezin moest overleven, zorgden ervoor dat Cannon enerzijds “een voet in de revolutionaire beweging” hield maar anderzijds ook in avondschool rechten ging studeren. In 1917 kwam de “verlossing” uit Rusland met de oktoberrevolutie en de gevolgen ervan op de arbeidersklasse en de linkerzijde, ook in de VS.

De Russische revolutie vormde een historisch keerpunt en had ook gevolgen voor Cannon en de Amerikaanse linkerzijde. Cannon besefte dat het niet enkel nodig was om een algemene vakbond op te zetten, maar dat er ook een “partij van revolutionairen” nodig was waarbij deze revolutionairen zich organiseerden op basis van “een programma en gebonden door een discipline”. Hij probeerde samen met anderen om een nieuwe politieke organisatie van de arbeidersklasse op te zetten. Tegelijk waren er belangrijke bewegingen. Het aantal arbeiders dat deelnam aan stakingen nam toe van 3,7% van alle arbeiders in 1915 tot 22,5% in 1919. In dat laatste jaar lag Seattle plat door een algemene staking.

De Amerikaanse heersende klasse reageerde op het groeiende arbeidersverzet door uit te halen naar het “rode gevaar”. Heel wat communistische activisten werden gevangen gezet. Ook Cannon werd opgepakt en belandde in de gevangenis wegens zijn rol de mijnwerkersstaking van 1920 in Kansas.

Het proces van de creatie van een nieuwe revolutionaire socialistische partij in de VS was erg complex en verliep moeizaam. Palmer gaat gedetailleerd in op dit proces met een overzicht van de diverse tendensen, de leidinggevende personaliteiten en fractionele meningsverschillen. Het is daarbij soms moeilijk om het overzicht te behouden. De auteur meent dat het grootste probleem voor de Amerikaanse linkerzijde het gevarieerde karakter van haar samenstelling met diverse federaties van immigranten uit Europa en Rusland en “autochtone radicalen” met een diverse achtergrond.

In een poging om het proces om deze verschillende linkse groepen bij elkaar te brengen in een verenigde communistische partij sloot Cannon terug aan bij de Socialist Party. Die partij was gegroeid door de toename van de arbeidersstrijd. Cannon speelde een centrale rol in de ontwikkeling van de linkerzijde van deze partij. Hij sloot in 1919 ook aan bij de nieuwe Communist Labor Party. De moeilijkheden ter linkerzijde worden duidelijk als je weet dat de CLP slechts één van de drie concurrerende communistische partijen was.

De repressie door de overheid maakte dat het werk van de communisten grotendeels ondergronds moest gebeuren. Cannon en anderen verzetten zich tegen de sectaire en ultralinkse krachten, voornamelijk van de buitenlandse federaties, die aandrongen op een illegale werking los van de objectieve voorwaarden. Die foutieve houding ging vaak gepaard met een neerbuigende houding tegenover het revolutionaire potentieel van de Amerikaanse arbeiders. Het sloot de jonge communistische beweging af van brede lagen van de arbeidersklasse.

Cannon en anderen probeerden een open en “Amerikaanse” partij op te zetten. Dat leidde tot het opzetten van de Workers Party, een “legale communistische partij”, in december 1921. Die communisten die aan de “illegale” methoden vasthielden, riepen op om de Workers Party slechts een secundaire rol te laten spelen. Het debat bleef duren tot aan het Vierde Congres van de Communistische Internationale in Moskou in 1922. Daar ging Leon Trotski akkoord met het standpunt van Cannon en zijn medestanders.

Palmer gaat uitgebreid in om het pionierswerk van Cannon bij de oprichting van de Workers’ Party en het “propageren en onderhouden van kranten en organisatorische stabiliteit.” De Amerikaanse communistische beweging werd ook na 1922 gekenmerkt door rivaliserende fracties. Een Hongaarse communist, John Pepper (Joseph Pogany), speelde een belangrijke rol in het ondermijnen van de linkerzijde door een combinatie van principeloze methoden en ultralinks avonturisme. Pepper was een voorbeeld van het soort machinaties dat ook in de Comintern een opgang kende, aldus Palmer. Hij speelde een actieve rol in het opzetten van de snel ter ziele gegane Farmer Labor Party in 1923.

Palmer merkt op dat de meeste historici de geschiedenis van de Amerikaanse linkerzijde in de jaren 1920 beperken tot een aanhoudende stroom van schijnbaar overbodige fractiestrijd rond de minste details. Palmer stelt dat Cannon begreep dat dit voortkwam uit een sociaal-economische basis: de terugtocht van de arbeidersstrijd, een groeiende Amerikaanse economie en een tijdelijke stabilisering van het Europese kapitalisme. Dat maakte het niet gemakkelijk om de revolutionaire linkerzijde op te bouwen. Deze situatie had overigens ook een negatieve impact op Rusland, dat al geïsoleerd stond na de nederlagen in de revoluties in Duitsland en elders. In deze periode, en zeker na de dood van Lenin in 1924, stond de Communistische Internationale onder leiding van Gregory Zionoviev die “een steeds meer opportunistische koers ging varen waarbij de krachten van de wereldrevolutie werden overspoeld door een organisatorische bureaucratie en een avonturistisch bochtenparkoers.”

Dit leidde natuurlijk tot verwarring en ontgoocheling onder de jonge Amerikaanse communisten. Het vormde ook de aanleiding voor hardere interne strijd. Cannon stelde later: “Toen ik na negen jaar uit de CP kwam, was ik gestaald in het voeren van fractiestrijd.” Cannon gooide zich op het werk van het International Labor Defense (ILD), een campagne die in 1925 door de communisten was opgezet. Volgens Palmer was dit ook een manier voor Cannon om aan de fractiestrijd te ontsnappen en aansluiting te vinden bij bredere lagen. Deze campagne “bracht het beste van Cannon naar boven.” Hij speelde een centrale rol in het verzet tegen de overheidsrepressie tegen arbeiders en de linkerzijde. Zo was hij actief in het verzet tegen de vervolging van Sacco en Vanzetti, twee Italiaanse arbeiders-activisten die werden vervolgd en uiteindelijk ter dood veroordeeld.

In deze periode volgde Cannon volgens Palmer maar al te braaf de “richtlijnen uit Moskou”. Het is ironisch dat Cannon “de tendens naar bureaucratisch opportunisme” bestreed bij Pepper en in de leiding van de Workers’ Party, maar tegelijk een “harde voorstander” was van de campagne van Zinoviev om de Communistische Partijen te “bolsjewiseren”, wat in de praktijk neerkwam op een grotere bureaucratische controle vanuit Moskou. Cannon en anderen stemden er in deze periode mee in om artikels van Trotski uit de media van de partij te houden.

Palmer beschrijft hoe Cannon steeds meer “twijfel en ongenoegen” had inzake de behandeling van Trotski en de Linkse Oppositie. Maar Cannon bleef formeel een trouwe aanhanger van de Comintern tot op het zesde congres van die Comintern. Op dat congres veranderde hij van standpunt nadat hij (wellicht verkeerdelijk) een kopie kreeg van Trotski’s “Kritiek op het Ontwerpprogramma van de Communistische Internationale”. Voor Cannon en de Canadese afgevaardigde Maurice Spector was die tekst van Trotski verhelderend om de eigen twijfels te kunnen verklaren en opnieuw op het marxistische pad te komen. Ze zorgden ervoor dat het document van de oppositie – een veroordeling van Stalin’s ‘theorie’ van het socialisme in één land en een oproep om een internationalistisch en revolutionair socialistisch standpunt in te nemen – het land werd buiten gesmokkeld.

Vanaf dan zou Cannon een rol spelen in het organiseren van een Linkse Oppositie binnen de Amerikaanse Communistische Partij. Daarbij werkte hij samen met jonge leden zoals Martin Abern, Max Schachtman en Rose Karsner, de partner van Cannon. Hierdoor werd zijn “carrière” als leider van de Communistische Partij in de VS op het spel gezet.

De Amerikaanse stalinisten sloten Cannon en zijn aanhangers al snel uit de partij. De stalinisten aarzelden niet om publieke bijenkomsten en straatcampagnes van de trotskisten gewelddadig aan te vallen. Met een honderdtal aanhangers vormde Cannon de Communist League of America. Deze organisatie zou verder ontwikkelen en werd uiteindelijk de Socialist Workers’ Party. De partij speelde een belangrijke rol in de syndicale strijd die in de VS zou losbarsten in de jaren 1930.

We zijn benieuwd naar de wijze waarop Palmer in het tweede deel van zijn boek zal ingaan op de verdere ontwikkeling van het politieke leven van Cannon. Hij werd een leider van de trotskisten in de VS en op internationaal vlak. We zijn ook benieuwd naar wat Palmer zegt over de controversiële wijze waarop Cannon omging met de Britse trotskisten, toen werd Cannon zelf beschuldigd van het gebruik van bureaucratische ‘Zinovievistische’ methoden.