Text Size

Een “derde industriële revolutie”? Impact van technologische vernieuwing

“Het kapitalistische tijdperk gaat voorbij. Het kende een piek en begint een trage aftakeling. In de kern van het kapitalisme is er een tegenstrijdigheid in het aandrijfmechanisme dat het systeem steeds hoger gestuwd heeft maar nu bijdraagt aan de neergang. De intensieve concurrentie dwingt tot steeds handiger technologie om de productiviteit te optimaliseren tot een punt waarop elke bijkomende geproduceerde eenheid inzake kosten ‘bijna niets’ kost. Met andere woorden, de kost voor het produceren van een extra eenheid – indien de vaste kosten niet meegerekend worden – wordt tot nul herleid, het product wordt bijna gratis. Maar als dat gebeurt, dan droogt de winst, de levenslijn van het kapitalisme, op.” (Hoofdstuk 1 van ‘Zero Marginal Cost Society’)

Het boek ‘The Zero Marginal Cost Society’ van Jeremy Rifkin onderzoekt de enorme impact van nieuwe technologische vernieuwingen op het kapitalistische systeem. Een recensie door Peter Taaffe uit het magazine ‘Socialism Today’.

 

De centrale boodschap van Jeremy Rifkin in dit fascinerende en belangrijke boek is de voorspelling dat de rol van het kapitalisme is uitgespeeld, onder meer door het breed verspreide gebruik van technologie waarbij de hoeveelheid menselijke arbeid in elke handelswaar steeds kleiner wordt en tot ‘bijna nul’ wordt herleid. Rifkin bevestigt onbewust wat Marx naar voor bracht – de auteur haalt Marx elders in het boek meermaals op positieve wijze aan – over het idee dat er op lange termijn een dalende tendens van de winstvoet is. Maar er zijn ook een aantal tegenwerkende factoren die volgens Marx de dalende tendens kunnen uitstellen, soms over een langere historische periode. De huidige crisis wordt bijvoorbeeld gekenmerkt door een overschot aan winsten – een berg cash waar de kapitalisten geen winstgevend doel voor vinden.

De auteur is geen marxist en benadert fenomenen – in dit geval technologie – niet op een veelzijdige wijze. Er wordt nadruk gelegd op één aspect, met name de verregaande gevolgen van de technologische vooruitgang. Rifkin ziet deze ontwikkeling op een lineaire wijze. Maar het kapitalisme heeft nooit een afgewerkte uitdrukking gegeven aan de economische tendensen binnen het kapitalisme waarbij deze tendensen tot hun conclusies worden doorgetrokken. Zo kan er vanuit concurrentie een monopolie op de binnenlandse markt ontstaan als de kapitalisten op de wereldmarkt met intensievere concurrentie te maken krijgen. Rifkin lijkt ook de mogelijkheid te onderschatten van het kapitalisme om een tijdelijke uitweg uit een schijnbaar hopeloze economische situatie.

Er moet opgemerkt worden dat er geen ‘eindcrisis’ van het kapitalisme is. Indien het kapitalisme de gunstige kansen om de samenleving te veranderen niet grijpt, dan kan het kapitalisme op de kap van de arbeidersklasse – met een verzwakking van de arbeidersbeweging, toenemende armoede, werkloosheid,… – een nieuw instabiel evenwicht zoeken. De vernietiging van waarde door een economische recessie, wat we nu tot op zekere hoogte zien, creëert de voorwaarden voor grotere winsten, nieuwe investeringsterreinen en een nieuwe groeicyclus. Maar er is het verzet van de werkende bevolking tegen het proces dat de meerderheid van de bevolking meer werkloosheid en tekorten biedt.

Het zou ook verkeerd zijn om te onderschatten hoe het systeem in staat is om te vernieuwen en nieuwe markten te creëren. Kijk maar naar de invoering van gsm’s en de nieuwe markten die hierdoor ontstonden. Als dit volstaat om de neergang van de oudere industrieën en bijhorende banen te compenseren, is natuurlijk een andere kwestie. Ondanks deze opmerkingen en onze meningsverschillen met een aantal conclusies van Rifkin, is dit boek nuttig omdat het de aandacht vestigt op een aantal grote gevaren voor de arbeidersklasse en de historische verworvenheden van de werkende bevolking. Tegelijk kunnen er positieve conclusies getrokken worden, indien de nieuwe technologie zou gebruikt worden in het belang van de meerderheid van de bevolking zouden enorme stappen vooruit kunnen gezet worden.

De opkomst van robots

robots

Het proces dat Rifkin beschrijft is al langer bekend en heeft al een impact op de tewerkstelling in verschillende sectoren. Niet alleen klassieke industriële sectoren, ook bijvoorbeeld in de muzieksector waar het product gratis via het internet toegankelijk is. Muziekgroepen en de muzieksector in het algemeen staan daar machteloos tegenover en moeten op zoek naar andere bronnen van inkomsten, zoals optredens en merchandise. Onder de huidige omstandigheden is technologie al een grootschalige ‘banenvernietiger’. Economen zoals Robert Gordon in de VS voorspellen dat 47% van de banen in de VS in de komende jaren zullen verdwijnen door de toepassing van nieuwe technologie, het gaat vooral om banen die beter betaald zijn.

De banen van leraars en docenten aan de universiteiten zijn bedreigd door de grootschalige toepassing van online lessen. Maar ook de architectuur of de boekproductie worden geraakt door de ontwikkeling van e-boeken wat gevolgen heeft voor de boekhandel, de inkomsten van auteurs,… Hetzelfde zien we in de medische sector waar de toepassing van erg gesofisticeerde robots al een rol speelt in het vervangen van verplegend en verzorgend personeel, medische technici, dokters,… Dit proces zal evenmin beperkt zijn tot de ontwikkelde geïndustrialiseerde landen.

De VS loopt nog steeds voorop, de verkoop van robots ging in 2011 met 43% vooruit in zowel de VS als de Europese Unie. Dit zorgt er volgens Rifkin voor dat de “industriële sectoren steeds dichter bij een arbeidsloze productie komen, of wat de industrie zelf als een productie ‘met de lichten uit’ omschrijft.” China is een pionier op het vlak van een grootschalige toepassing van industriële robots. Tot nu toe heeft het buitenlandse kapitaal in China niet sterk geïnvesteerd in robots omdat er toch goedkope arbeid voorhanden is. Maar de lonen zijn zeker in de kustprovincies gaan stijgen en dit zet het buitenlandse kapitaal ertoe aan om goedkopere en meer winstgevende oorden op te zoeken: Cambodja, Laos, Thailand en nog niet aangesneden arbeidsvoorraden in China zelf. Maar ook robotica wordt gretig opgenomen. Foxconn, de reusachtige Chinese producent van iPhones, wil de komende jaren een miljoen robots installeren waardoor een groot deel van de arbeidskrachten overbodig zou worden. Topman Terry Gou van Foxconn kon zijn tevredenheid voor dit perspectief niet verbergen: “Mensen zijn ook dieren en een miljoen dieren beheren bezorgt me kopzorgen.” Geen stakingen door robots!

Natuurlijk is het gevaar van jobverlies door automatisering geen nieuw gegeven. Zelfs overtuigde kapitalistische economen – denk maar aan John Maynard Keynes – stelden in de jaren 1930 dat de toepassing van nieuwe technologie ervoor kon zorgen dat de werkweek zou beperkt worden tot 19 uur. Maar de toepassing van nieuwe technologie in de grote depressie zorgde enkel voor bijkomende problemen voor het kapitalisme. Het deed het leger van werklozen verder aanzwellen en zij vormden een constante bedreiging voor het kapitalistische systeem. Dit was een factor die ervoor zorgde dat de technologie ook niet volledig werd toegepast, het duurde tot de Tweede Wereldoorlog en vooral de periode van heropbouw erna vooraleer een grootschaliger toepassing van de technologische mogelijkheden aan de orde was. Het zorgde voor een sterke groei in nieuwe sectoren zoals rubber, plastic,… en een opgaande spiraal van de productie.

De situatie vandaag heeft meer gemeen met de jaren 1930 dan met de economische groei van 1950-75. In de naoorlogse periode en zeker in de jaren 1950 en 1960 was het kapitalisme in staat om enorme stappen vooruit te zetten op het vlak van techniek en technologie. We zitten nu in een andere periode. Rifkin is zich daar bewust van en brengt op indrukwekkende wijze een stortvloed aan details en elementen die dat bevestigen.

De kosten gaan naar beneden en het proces wordt versneld. In de afgelopen decennia was er discussie voer de angst voor nieuwe technologische ontwikkelingen samen met het outsourcen van banen naar landen als China. Het leidde tot discussie over de vraag of er nog een toekomst is voor de industrie in de ontwikkelde geïndustrialiseerde landen. Heel wat sectoren en banen verdwenen naar China en er was een opvallend proces van desindustrialisering, maar op wereldwijd vlak is het aantal arbeiders in de industrie redelijk stabiel gebleven. Daar komt nu verandering in door de massale toepassing van robots. En het gaat hierbij niet enkel om grootschalige industrieën.

De Britse krant The Independent berichtte recent dat enkele huisbazen drones met camera’s willen inzetten om het dak van hun huizen te inspecteren om te zien of er herstellingen nodig zijn. Uiteraard bedreigt dat de banen van dakwerkers. Zelfs de Financial Times had het over de dreiging van robots met verhalen in de trend van ‘we moeten de robots pakken voor zij ons pakken.’ Rifkin stelt dat indien het huidige ritme van technologische ontwikkeling in de industrie verdergaat – en hij verwacht dat het ritme enkel kan versnellen – de tewerkstelling in fabrieken “in 2003 goed voor 163 miljoen banen, tegen 2040 zal afnemen tot enkele miljoenen. Het zou het einde zijn van de massale fabrieksarbeid in de wereld.” Wat zou er in de plaats komen? De kapitalisten hebben daar geen antwoord op, net zoals ze geen oplossing hebben voor de huidige wereldwijde economische crisis.

Onbeperkte mogelijkheden

Het was Karl Marx die samen met Friedrich Engels als eerste de enorme impact van de invoering van technologie onder het kapitalisme begreep en omschreef. Hij stelde dat dit voor het eerst in de geschiedenis de basis kon leggen voor de afschaffing van de ‘vraag’. Onbeperkte mogelijkheden voor de mensheid zouden er het resultaat van zijn. Maar dat was natuurlijk op voorwaarde dat de socialistische revolutie de obstakels voor verdere vooruitgang uit de weg zou ruimen: het kapitalistische private bezit van de industrie en de samenleving aan de ene kant en de natiestaat aan de andere kant.

Rifkin verwijst naar Marx als hij het heeft over de wijze waarop het kapitalisme aanvankelijk een “concurrentiële vrije markt” ontwikkelde. Hieruit ontwikkelde de tendens om concurrentie uit de weg te ruimen door de vorming van monopolies of oligopolies. Eens een dominante positie is gevestigd, is er bij kapitalisten minder enthousiasme om nieuwe technologie toe te passen om de productiviteit te versterken en de prijzen naar beneden te halen. De monopolisten gaan dit tegen in een poging om de prijzen kunstmatig hoog te houden. Dit werd bevestigd door de geschiedenis van het kapitalisme tot nu toe.

Maar zoals Rifkin opmerkt kunnen nieuwe en aanvankelijk kleine kapitalistische bedrijven tot stand komen die een niche vestigen van waaruit ze de greep van de monopolisten afzwakken of zelfs teniet doen. Maar dit proces leidt telkens opnieuw tot de onvermijdelijke creatie van nieuwe monopolies. Deze processen worden evenwel niet doorgetrokken tot de conclusie van een volledig monopolie. Een monopolie kan op nationaal vlak bestaan, maar raakt ondermijnd door economische rivalen met een ‘groter aandeel’ in de wereldmarkt. Hetzelfde gebeurt in het achterblijven van het gebruik van technologie, net zoals dit in de jaren 1930 het geval was.

Rifkin geeft enkele erg goede voorbeelden van hoe monopolies zelfs door de apostelen van de ‘vrije markt’ worden gepromoot. Zo stelde de voormalige Amerikaanse minister van Begroting Lawrence Summers samen met econoom J Bradford DeLong over de opkomst van nieuwe technologie inzake dataverwerking en communicatie dat hij tegen overheidsinterventies in het algemeen was, maar wel voorstander van kortstondige ‘natuurlijke monopolies.’ Er werd gesteld dat “een tijdelijke monopoliepositie en winsten de beloning zijn om private bedrijven aan te zetten tot dergelijke innovaties.” Rifkin stelt dat de twee op opmerkelijke wijze erkennen dat “het niet duidelijk is wat de correcte wijze is om over deze complexe thema’s te denken, maar dat het paradigma van de concurrentie niet volledig aangepast is. Maar we weten nog niet welk paradigma in de plaats kan komen.”

Rifkin heeft het over een nieuwe “derde industriële revolutie” die voortbouwt op de tweede industriële revolutie op het einde van de 19de en begin 20ste eeuw. Hij stelt dat deze derde revolutie al bezig is. De ontdekking van energiebronnen, in het bijzonder olie, de uitvinding van de verbrandingsmotor en de invoering van de telefoon zorgden voor het complex van communicatie en energie dat de 20ste eeuw domineerde.

De nieuwe ‘derde industriële revolutie’ wordt door Rifkin verbonden met het “internet van dingen” die volgens de auteur “alles met iedereen verbindt in een geïntegreerd globaal netwerk. Mensen, machines, natuurlijke grondstoffen, productielijnen, logistieke netwerken, consumptiegewoonten, recyclage en zowat alle aspecten van het economische en sociale leven zullen verbonden zijn via sensoren en software.” Robots en technologie kunnen mensen niet volledig vervangen. Momenteel ontbreekt het nog aan “gevoelens” zoals de mensen deze kennen. “

Het economische verhaal van Rifkin wordt versterkt door de ongelofelijke ontwikkeling van 3D-printers die onbeperkte mogelijkheden bieden. 3D printen laat toe dat machines zichzelf reproduceren. Het lijkt science fiction maar het is realiteit. Het is een cruciaal onderdeel van wat de auteur de “derde industriële revolutie inzake productiemodel” noemt. Hij beweert dat dit “exponentieel groeit samen met andere onderdelen van de infrastructuur van het internet van dingen.” 3D printers kunnen producten maken van juwelen tot vliegtuigonderdelen tot menselijke prothesen. Ze kunnen hun eigen reserveonderdelen printen zonder dat zware investeringen moeten gedaan worden en zonder de gebruikelijke vertragingen. Deze ontwikkeling zorgt voor de mogelijkheid van ‘duurzame productie’.

Een fundamenteel falen van het kapitalisme

rifkin

Dit is inderdaad een vorm van revolutie, maar dan geen revolutie die geleid wordt door de arbeidersklasse en haar bondgenoten. Dat merkt ook Rifkin op. Hij ziet socialisme niet als een alternatief, hij zoekt iets tussenin. Op dat ogenblik verraadt hij zijn afkomst als zoon van een kleine ondernemer die steeds meer productie en techniek wilde ontwikkelen en niet zozeer over winsten sprak. Hij ziet de beperkingen van de grote bedrijven maar ziet de potentiële macht van de arbeiders en armen niet.

We worden verondersteld te denken dat er een lang uitgerokken proces zou zijn van vreedzame concurrentie tussen een afstervend kapitalisme aan de ene kant en een opkomend stelsel van ‘samenwerkende Commons’ waarbij het laatste uiteindelijk wint. Het zou een hybride systeem zijn gebaseerd op samenwerking tussen mensen, coöperatieven, kleine groene ondernemingen,… waarbij de ‘beste kenmerken’ van het marktstelsel zouden overgenomen worden. Dit zou geleidelijk in de plaats van het kapitalisme komen. De auteur moet erkennen dat dit perspectief niet verder gaat dan het swadeshi-concept van Mahatma Ghandi, door Ghandi zelf omschreven als “massaproductie maar dan niet op basis van dwang, het is massaproductie maar dan wel productie in de huizen van de mensen zelf.”

Dit is een onrealistisch idee om de grootschaligheid van het kapitalisme te vervangen door de geschiedenis in zekere zin terug te draaien naar een vorm van kleinschaligheid en lokale productie. Dit stelsel keert terug naar productievormen die voor het kapitalisme bestonden waarbij het stelsel, in de moderne betekenis van de term, afhankelijk was van kleinschalige breed verspreide producenten die werkten met toezichthouders of kapitalisten en vaak beroep moesten doen op intensieve overarbeid, vaak door hele families. Kijk naar de situatie in India vandaag waar kleine producenten, kleine boeren, niet in staat zijn om te concurreren met de steeds meer gemonopoliseerde economie. Het leidt tot massale zelfmoordgolven onder boeren die gebukt gaan onder onhoudbare schuldenlasten. Wereldwijd zijn er jaarlijks 800.000 zelfmoorden. Dat is ongetwijfeld een uitdrukking van de rampzalige sociale gevolgen van het kapitalisme.

Ondanks het utopische karakter van de meeste alternatieven van Rifkin, biedt hij wel een fascinerend beeld van de gevolgen van technologie en de noodzaak om deze op vreedzame en progressieve wijze in te zetten in het belang van de volledige mensheid. Het bewijs is zo overtuigend tegen het falen van het ‘moderne’ kapitalisme om de nieuwe technologieën zelf in te zetten, dat het boek het eerder zou moeten hebben over de ‘binnendringende socialistische revolutie’. Maar Rifkin verwerpt het socialisme als alternatief. De term ‘binnendringende socialistische revolutie’ werd door Engels gebruikt om de nationalisatie van industrieën te omschrijven op het ogenblik dat het kapitalisme faalde. Het wees op de socialistische toekomst.

‘Alles democratiseren’

Onbewust erkent Rifkin de gunstige voorwaarden voor het socialisme en voor de krachten die het socialisme kunnen bewerkstelligen. Hij zegt het niet uitdrukkelijk, maar de weigering om socialisme als alternatief te erkennen komt voort uit de vreselijke erfenis van het stalinisme. Een herhaling van een bureaucratische top-down samenleving is niet mogelijk in de hoog geschoolde en cultureel ontwikkelde samenleving waarin we vandaag leven.

Hij stelt terecht: “Terwijl de "collaboristas" [samenwerkenden, eigenlijk de tegenstanders van het kapitalisme] een opmars kennen, zijn de kapitalisten verdeeld.” Hij wijst op positieve manier naar de beweging tegen de Wereldhandelsorganisatie in Seattle in 1999, een beweging die de weg voor Occupy voorbereid had. Die beweging leidde op zijn beurt tot de verkiezingsoverwinning van Kshama Sawant, de eerste socialistische verkozene in Seattle sinds 100 jaar. Deze nieuwe generatie die politiek bewust werd tegen de achtergrond van de huidige vernietigende crisis en die gekenmerkt wordt door een openheid en solidariteit met alle onderdrukten, maakt ook indruk op Rifkin en anderen. Dat blijkt uit heel wat vaststellingen die Rifkin doet in zijn boek.

Het idee van wat hij ‘commons’ en ‘samenwerkenden’ noemt, wordt deels overgenomen van de rechten die in Engeland bestonden in de overgang van feodalisme naar kapitalisme, maar die in de loop van deze overgang vernietigd worden. Rifkin wil daarop verder bouwen met een filosofie van delen doorheen de derde industriële revolutie waarbij “consumenten hun eigen producenten worden.” Deze nieuwe ‘prosumenten’ zouden steeds meer samenwerken en goederen en diensten delen in een globaal netwerk met bijna geen kosten, wat de kapitalistische markten zal verstoren. De economische confrontatie tussen deze krachten en de kapitalisten is “een uitdrukking van een cultureel conflict dat de menselijke ontwikkeling de komende jaren zal bepalen. Als er een rode draad is in het opkomende culturele verhaal, dan is het de ‘democratisering van alles’.”

Maar hoe deze ‘democratisering van alles’ gebeuren terwijl het kapitalisme met zijn reusachtige monopolies nog intact is? Rikfin gaat uitgebreid in op het internet en het ‘internet van dingen’ en legt nadruk op de benadering van de nieuwe generatie wetenschappers die hun ontdekkingen en studies vrij delen met collega’s zonder eerst financiële verloning te zoeken. Dat staat in een schril contrast met pakweg de grote farmaceutische bedrijven die enkel investeren in producten waar voldoende winst mee kan gemaakt worden. Er vallen geen grote winsten te rapen met een medicijn voor het Ebola-virus omdat dit virus vooral arme mensen treft. Bijgevolg wordt er niet in geïnvesteerd. Het is pas nu dat de epidemie ook de ontwikkelde landen bedreigt, dat er in een medicijn wordt geïnvesteerd.

Rifkin gaat in tegen ongelijkheid en benadrukt wat zelfs kapitalistische journalisten recent moesten erkennen: waar de klassenverschillen die vaak uitgedrukt worden in inkomensverschillen groter zijn, is er ook meer ongenoegen en verzet. In Londen zijn er meer zogenaamde “individuen met een extreem hoog nettovermogen” dan gelijk waar ook op de planeet. Het gaat om mensen met meer dan 21 miljoen pond vermogen bovenop onroerende bezittingen (huizen). Londen heeft Hong Kong voorbijgestoken als de duurste stad ter wereld en dat tegen de achtergrond van een dalend inkomen voor de meerderheid van de bevolking, snel stijgende huurprijzen en hypotheken en dalende lonen.

Rifkin is het eens met socialisten dat een andere samenleving mogelijk is, een samenleving van overvloed en zelfs enorme overvloed indien alle grondstoffen en middelen van de samenleving in het belang van de gemeenschap worden ingezet. Rifkin erkent dat de neergang ook onder middenklasse is ingezet: “De VS had in 1960 de grootste middenklasse in de wereld. Tegen 2012 hadden de VS de weinig eervolle 28ste plaats van de 30 OESO-landen op het vlak van inkomensongelijkheid – de kloof tussen rijk en arm. Enkel Mexico en Turkije deden nog slechter.”

Systeemverandering

Hoe kan deze situatie veranderen in het voordeel van de overgrote meerderheid van de werkende bevolking en zelfs de middenklasse? Het antwoord van Rifkin is een verandering van samenleving doorheen argumenten en de kracht van voorbeelden. In feite “achter de rug van de samenleving”, zoals Marx stelde over de grote utopische socialisten zoals Robert Owen. Dit blijkt uit de slotopmerkingen van Rifkin die hij richt aan “diegenen in het hart van het kapitalistische systeem die bang zijn dat een komende samenleving van een bijna nihile kost voor productie hen op de rand van het bankroet zal brengen.”

Hij lijkt hen te willen overtuigen met het argument dat de gemiddelde levensduur van een bedrijf in de Fortune 500 slechts zowat 30 jaar is. Dit lijkt hem te sterken in zijn overtuiging dat de angstige kapitalisten uiteindelijk hun eigen neergang rustig zullen aanvaarden. Zo werkt het echter niet met de grote kapitalisten. De voormalige Britse arbeidersleider George Brown was realistischer toen hij stelde: “Geen enkele geprivilegieerde groep verdwijnt van het toneel van de geschiedenis zonder strijd.”

De kapitalisten zullen hun lot niet rustig aanvaarden om plaats te maken voor Rifkin en co in wat een ‘tussenweg’ tussen kapitalisme enerzijds en de gemobiliseerde arbeidersklasse anderzijds is. Het is echter mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat er binnen de heersende klasse verdeeldheid zal ontstaan, met meer vooruitziende elementen die erkennen dat hun systeem in een doodlopend straatje zit waarbij ze uitkijken naar een nieuw systeem dat de samenleving kan vooruithelpen. Dat is zeker het geval voor de jongere lagen, studenten bijvoorbeeld die aan de ouderlijke controle ontsnappen, die open staan voor marxistische standpunten.

Om daarop te bouwen, volstaat het niet om enkel een kritiek van het kapitalisme te brengen , maar moet er ook een duidelijk alternatief worden aangeboden: socialisme. En er moet gebouwd worden aan de kracht die dat kan bereiken: een massapartij met een vooruitziende leiding. De macht en de rijkdom van de kapitalisten, hun bezit van de productiemiddelen en controle op de samenleving, moet doorheen massabewegingen uit hun handen gehaald worden. Het idee dat de oppositie tegen het kapitalisme onbeperkt vrij gebruik kan maken van het internet om het kapitalisme te ondermijnen, wordt al tegengesproken door de beperkingen die kapitalisten en landen opleggen. Denk maar aan de beperkingen op het internet in China, Turkije,…

Veel elementen in dit boek zijn nuttig en zelfs bewonderenswaardig. Er wordt gewezen op het enorme economische gevaar van nieuwe technologie voor de arbeidersklasse maar ook voor de kapitalisten. Dat dreigt te leiden tot massale revoltes, de contouren van een dergelijke revolte zien we vandaag al in Schotland, Groot-Brittannië en doorheen zuid-Europa in wat neerkomt op een massale opstand van de arbeidersklasse en de gevolgen van een falend en ziek systeem. In deze situatie moeten de nieuwe ‘Luddieten’ [de vernielers van machines] niet bij de arbeiders gezocht worden maar in het kapitalisme zelf, het systeem waarvan de historici de standpunten van de oorspronkelijke Luddieten verdraaid weergeven. Het kapitalisme is niet in staat om de enorme mogelijkheden van de technologische ontwikkelingen te benutten. Enkel een geplande economie die leidt tot democratisch socialisme op nationaal en internationaal vlak kan dit doen en doorheen dit proces beantwoorden aan de roep naar echte verandering door mensen als Jeremy Rifkin en de nieuwe generaties.

 

The Zero Marginal Cost Society: the internet of things, the collaborative commons and the eclipse of capitalism By Jeremy Rifkin Published by Palgrave Macmillan, 2014, £17.99