Text Size

Marxisten en de staat

Het volgende artikel is een bewerkte versie van een inleiding die onlangs werd gegeven op een Landelijke Vergadering van Socialistisch Alternatief. Het vraagstuk was hoe Marxisten tegen de staat aankijken en Jos Alembic argumenteert dat we niet in een democratie leven maar in een “rechtsstaat”.
Ik zal het hebben over de Marxistische positie ten opzichte van de staat. Ook zal ik het vraagstuk proberen te verbinden met de actualiteit: hoe verhouden wij ons bijvoorbeeld met het staatsvraagstuk in de Arabische wereld? Of hoe zit het met verkiezingen hier in Nederland?

 

In de eerste plaats: Wat is de staat? Friedrich Engels schreef daar eind 19e eeuw een boek over dat heet De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat. Daarin geeft hij de volgende analyse, ik citeer:

 

‘De staat is [...] volstrekt geen macht die de maatschappij van buiten is opgedrongen; evenmin is hij “de werkelijkheid van het zedelijke idee”, “het beeld en de werkelijkheid van de rede”, zoals Hegel beweert. De staat is veeleer een product van de maatschappij op een bepaalde trap van ontwikkeling; hij is de erkenning van de onoplosbare tegenspraak met zichzelf waarin deze maatschappij verward is geraakt, van de onverzoenlijke tegenstellingen waarin zij zich heeft gesplitst en die zij niet bij machte is te bezweren. Zodat echter deze tegenstellingen, klassen met tegenstrijdige economische belangen, zichzelf en de maatschappij niet in een vruchteloze strijd vernietigen, is een in schijn boven de maatschappij staande macht nodig geworden, die het conflict moet temperen, het binnen de perken van de “orde” moet houden; en deze macht, die uit de maatschappij is voortgekomen, maar zich boven haar stelt en meer en meer van haar vervreemdt, is de staat.’ (Blz. 177/178 van de zesde Duitse uitgave.)

 

Engels gaat verder met wat kenmerken:

 

‘In vergelijking met [oudere organisatievormen]’, vervolgt Engels, ‘kenmerkt zich de staat ten eerste door de indeling van de staatsburgers naar het gebied.’

 

en

 

‘Het tweede kenmerk is de inrichting van een openbare macht, die niet meer onmiddellijk samenvalt met de zich als gewapende macht organiserende bevolking. Deze afzonderlijke openbare macht is nodig, omdat een zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking sinds de splitsing in klassen onmogelijk is geworden... Deze openbare macht bestaat in iedere staat; zij bestaat niet alleen uit gewapende mensen, maar ook uit zakelijk toebehoren — gevangenissen en allerlei dwanginrichtingen, waarvan [oudere organisatievormen geen weet hadden].’

 

Om het anders te stellen: de staat is dus het instrument dat de heersende klasse, een absolute minderheid van de bevolking, aan de macht te houden. De meest voorkomende definitie die je dan ook hoort is dat ene regeltje van Engels waarin hij het de “bewapende mannen” noemt en in essentie klopt dit ook wel, maar het ligt toch iets genuanceerder dan dat. In de overgrote meerderheid van de gevallen hebben we namelijk niet te maken met die “bewapende mannen” – de politie, ME, geheime dienst, etc. – maar met iets subtielers dat we de “rechtsstaat” noemen. Het beginpunt is dat het gebruik van geweld een normaal en alledaags element is van de kapitalistische staat, dit heet het geweldsmonopolie van de staat in juridisch jargon.

 

Een voorbeeld om dit duidelijk te maken: Stel dat je je huur, hypotheekaflossing of belasting niet zou betalen. Wat gebeurt er? Eerst krijg je een betalingsherinnering, dan een aanmaning en vervolgens een deurwaarder op de stoep. Stel dat je, net als in New Kids on the Bloc, die deurwaarder gebruikt om de straat mee aan te vegen. Dan komt de politie. En stel dat je je genoeg bewapend om zelfs die de deur te wijzen, dan komt de ME of zelfs de anti-terreur eenheid om jou “onschadelijk” te maken zoals dat heet, dat kan betekenen dat je wordt afgeknald. Stel dat het helemaal escaleert en je met een grotere groep zwaar bewapent - zoals bijvoorbeeld gebeurde in het geval van de Branch Davidians in Waco, Texas in 1993 - en je bent in staat om zelfs deze getrainde eenheden van je af te slaan. Verwacht dan serieuze militaire wapens, tanks en artillerie, die tegen je gebruikt zullen worden.

 

Zulke extreme voorbeelden zijn zeldzaam. Maar dit is omdat de meeste mensen, bijna altijd, denken dat de wet legitiem en acceptabel is en zullen het slikken, hetzij met morren, als ze een legale strijd verliezen. Voor die enkeling die het niet accepteert zal extreem geweld niet geschuwd worden, mocht het zover komen.

 

Dergelijke escalatie gebeurt echter niet altijd. Soms zet de staat een stap terug in het naleven van de wet. Dit gebeurt echter over het algemeen slechts in twee gevallen: als er machtige krachten binnen de elite zich tegen de wet scharen (denk bijvoorbeeld aan de 16 miljard euro die de grote bedrijven structureel ontduiken) of als brede massa's van mensen vinden dat de wet, of haar naleving, niet rechtvaardig is en zich daartegen organiseren.

 

Het laatste geval kun je bijvoorbeeld zien in de krakersbeweging van de jaren '60 en '70 of in het Britse voorbeeld van het Poll Tax verzet in de periode 1989-91 waar vooral in Schotland de deurwaarders de deur werden gewezen door georganiseerd verzet in de lokale buurten.

 

De wet zet dus in algemene zin de grenzen van legitiem gebruik van geweld. En de meeste mensen accepteren deze wetten de meeste tijd. Zelfs mensen die in de gevangenis zitten vinden dat, hoewel zij natuurlijk onschuldig zijn, vinden ze wel dat anderen er terecht zitten.

 

Aan de andere kant definieert de wet dus ook wat geldt als “geweld”. Actie die binnen de wet valt is daarom “vreedzaam” hoewel het wel kan betekenen dat je anderen dwingt. Aan de andere kant is er sprake van “gewelddadige” actie als deze zich buiten de wet begeeft, zoals (sinds kort) kraken of het afwijken van de route tijdens een demonstratie.

 

Kortom, de naleving van de wet berust uiteindelijk op de toestemming van de massa op het gebruik van geweld voor de naleving ervan. Als brede lagen deze toestemming weigeren voor een bepaalde wet, of voor een bepaalde uitvoering van een wet, kan het gebruik van geweld om de wet na te leven onpraktisch worden.

 

Geen democratie

 

Deze toestemming is gebaseerd op twee steunpalen: In de eerste plaats is er het geloof dat wetten over het algemeen rechtvaardig zijn. Niemand is bijvoorbeeld van mening dat de wetten tegen moord, verkrachting of overvallen moeten worden afgeschaft. In de tweede plaats is er de massale acceptatie om te leven met de staat an sich, of anders gezegd, met de grondwet. We krijgen daarom continu vanuit de media en vanuit politici te horen dat dat “gewelddadige” protesten onacceptabel zijn in een democratie. Het idee is dat de procedures die wetten maken ons allen binden om ze te gehoorzamen.

 

Dat zou een terechte stelling zijn mochten we in een democratie leven. Het maken van wetten zou dan een manier zijn waarop we collectieve beslissingen nemen en waarbij de minderheid zou moeten accepteren dat de meerderheid het recht heeft om een besluit door te voeren, ook al is deze verkeerd of onrechtvaardig.

 

Maar we leven niet in een democratie. We leven dus, in tegenstelling, in een “rechtsstaat”. Wat dit betekent is dat de staat fundamenteel gebonden is aan het verdedigen van de interesses van diegenen die de economische middelen bezitten, zoals bedrijven, infrastructuur, banken, aandeelhouders, etc., zelfs al gaat dit ten koste van diegenen die dit niet bezitten (en dan met name de werkende klasse natuurlijk). Deze gebondenheid komt strategisch tot uiting in de vorm van de “rechtsstaat”, maar ook in de vorm van institutionele corruptie.

 

Verkiezingen voor het parlement, de gemeenteraad of, afgelopen week nog, de provinciale staten, worden geregeerd door institutionele corruptie en fraude via de commerciële media en ook voor een belangrijk deel de publieke omroep (juist vanwege haar rol als staatsomroep). Rechtszaken en het maken van wetten worden evenzeer geregeerd door corruptie, bijvoorbeeld door een van de vele door bedrijven gestuurde of gesponsorde lobbygroepen.

 

Stel dat een regering niet democratisch gekozen was, maar toch rechtvaardige wetten zou maken (zoals een wet tegen moord). De wet zou nog steeds een juiste morele richtlijn zijn in het legitiem gebruik van geweld; niet vanwege de procedure hoe de wet tot stand kwam, maar vanwege haar inhoud.

 

Stel echter dat een regering géén democratische basis heeft, en toch verder gaat in het maken van onrechtvaardige wetten. Nu is er geen geval waarin de wet legitieme grenzen stelt aan het gebruik van geweld vanwege haar inhoud noch door de manier waarop de wet tot stand komt. De wetgevers zijn nu eigenlijk criminelen geworden.

 

In Nederland zitten we nu met een minderheidskabinet die het zelfs voor elkaar heeft gekregen om mét de gedoogsteun van de PVV een minderheid te krijgen in de Senaat, althans, per 23 mei wanneer de nieuwe Senaat haar intrede neemt. Het beleid van het kabinet is duidelijk: 18 miljard bezuinigen. Dit komt uiteraard door de kapitalistische crisis waar het vorige kabinet honderden miljarden aan onafgedekte leningen en garanties gaf aan het financiële wezen. Nu stelt het nieuwe kabinet dat de rest van de maatschappij die resulterende schuldenlast maar moet afbetalen. Niet van het financiële wezen wordt verwacht dat zij iets terugbetalen – we hebben in Nederland zelfs geen symboolbelasting op bonussen zoals bijvoorbeeld in de VS – nee, dat zou namelijk de gans met de gouden eieren slachten.

 

Dit is onrechtvaardig. En dan heb ik het niet over een of andere morele standaard over rechtvaardigheid, ik heb het over de kapitalistische standaard over rechtvaardigheid: Mocht dit gedaan zijn door iemand anders dan de regering, dan zou dit worden gezien voor wat het was, roof, waarvoor een behoorlijke gevangenisstraf staat. Dit is het moreel onderbuik gevoel dat nu bij veel mensen een woede los gaat maken en waardoor protesten, demonstraties, stakingen, etc. in de komende tijd alleen nog maar een grotere vlucht gaan nemen.

 

De SP

 

Zit je echter in de logica van de staat en de “rechtsstaat”, dan accepteer je ook dat de wet de enig mogelijke manier is om daar wat aan te doen. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom Emile Roemer van de SP vlak voor de verkiezingen nog op televisie stelde dat hij aan de noodzaak van bezuinigingen niet twijfelt, er moet alleen “menselijk” worden bezuinigt, wat dat verder ook mag betekenen.

 

Dat betekent niet automatisch dat Marxisten tegen deelname aan verkiezingen zijn. Een verkiezingsperiode is een van de weinige momenten wanneer de maatschappij als geheel (de media, op je werk, in je buurt, etc.) het expliciet over politiek heeft. Overigens vaak in negatieve zin; hoe iedere partij je bedriegt of hoe de argumenten van Wilders zinnig zijn. Toch biedt dit ook voor ons een opening om onze politieke standpunten te maken tegen alle andere partijen. Stemmen halen is hierbij niet van het eerste belang, maar mocht er iemand van ons worden verkozen op een expliciet socialistisch programma, dan kunnen we die plek gebruiken om een permanente oppositie uit te bouwen tegen alle andere politieke partijen, ze ontmaskeren voor de bedriegers die het zijn, onze alternatieven blijven verdedigen, etc.

 

De SP heeft die les nooit begrepen. Als je de historische documenten erop naslaat kun je lezen hoe ze zelfs als in de jaren '70 – in haar Maoïstische periode – al stemmen probeerde te halen om een krachtsverhouding uit te bouwen binnen de parlementaire orde (dat heet: parlement, gemeenteraad, etc.), waarmee al in een vroeg stadium de basis werd gelegd voor het idee dat verandering binnen de rechtsstaat moet gebeuren. De SP heeft in de periode van 1994 tot 2006 een groeispurt gekend als dé anti-establishment partij, maar vandaag de dag is duidelijk dat de partij steeds meer naar rechts opschuift juist omdat ze gevangen zit in de logica van de rechtsstaat. Hiermee gelinkt is ook het ondemocratisch klimaat binnen de partij, het cynisch gebruik van activisten als “soepkar trekkers”, etc. Kortom, de SP is steeds meer een politiek merk aan het worden en steeds minder een potentiële arbeiderspartij. Ironisch genoeg vertaalt zich dat nu ook in een lagere score bij verkiezingen.

 

De Arabische opstand

 

In de Arabische wereld aan de andere kant zie je ogenschijnlijk “spontaan” hevig verzet ontstaan in vrijwel alle landen in de regio. Waarom? Omdat het gebruik van geweld juist tegen deze regeringen moreel gerechtvaardigd is. Het idee dat de overheid “van ons” is leeft daar vrijwel niet omdat dergelijke regeringen niet worden gekozen of omdat er slechts schijnverkiezingen zijn. Het instrument waarop deze elites moeten terugvallen is daarom veel brutaler, namelijk het direct toepassen van geweld, geheime politie-apparaten, etc. om hun orde te handhaven.

 

Dit kan voor een lange tijd werken aangezien het inspeelt op een elementaire menselijke emotie: angst. Maar als mensen eenmaal deze angst verliezen, zoals nu gebeurt in deze landen, kunnen ontwikkelingen zeer snel lopen waarbij we nu aan de vooravond staan van het eerste regime dat omvalt, Libië. Totnogtoe zagen we alleen presidenten het veld ruimen, mocht het regime vallen in Libië dan zou dat een volledig nieuwe en diepere draai geven aan het verzet in de Arabische wereld.

 

Betekent dit dat de opstandelingen nu de macht moeten overnemen? Dat is nu niet aan de orde. De arbeidersklasse is niet georganiseerd genoeg om een dergelijke taak te vervullen. Waar de massa's in de Arabische wereld nu het meeste baat bij hebben is een periode van zeer zwakke regeringen, wat de tijd geeft aan de arbeidersklasse om zich te organiseren.

 

Marxisten en de staat

 

Nu, dat brengt ons bij de volgende vraag: Hoe kijken communisten (Marxisten, socialisten...) aan tegen de staat? Kunnen wij de staat in óns voordeel gebruiken? Zoals Lenin onder andere duidelijk maakt in zijn boekje Staat en Revolutie, kan dit niet. De staat is er fundamenteel op ingericht om een kleine minderheid aan de macht te houden, dit doet ze dus door haar wetten te baseren op het sociaal-economische systeem van privaatrecht.

 

Wat wij willen is een staat die de meerderheid – de arbeidersklasse – aan de macht brengt. Waarom? Ik zal daar kort enkele basispunten over maken. Marxisten beginnen namelijk bij drie punten:

 

  1. Mensen zijn in hun natuurlijke staat sociale en creatieve wezen met een enorm potentieel. Dit potentieel wordt echter geblokkeerd door het kapitalisme dat mensen vervreemd van elkaar en waardoor mensen meer bezig zijn met overleven dan met leven.

  2. De arbeidersklasse is de enige klasse die de mensheid vooruit kan brengen op een hoger niveau van ontwikkeling. Communisme staat daarmee in verhouding tot kapitalisme als kapitalisme stond tot feodalisme, een verschil van dag en nacht. Voor dit kan gebeuren moet de arbeidersklasse zichzelf organiseren, emanciperen en bevrijden.

  3. Echter, de meeste arbeiders zijn de meeste tijd behoorlijk apathisch. Ze luisteren naar de overheid of naar hun baas en elke vorm van collectieve organisatie wordt ontmoedigd, subtiel of minder subtiel. Denk naast de rol van de staat bijvoorbeeld ook aan culturele factoren zoals Hollywood of de Telegraaf. Op het werk heerst ook een totalitaire dictatuur waarin als je niet naar de baas luistert ontslag volgt.

 

Als Marxisten moeten we dus een probleem oplossen: Hoe krijgen we het voor elkaar dat we de arbeidersklasse organiseren om zichzelf te bevrijden?

 

Marx en Engels richtte zich in hun tijd sterk op radicaal democratische eisen. Niet zozeer omdat de Pruisische staat in hun tijd niet bepaald het toonbeeld was van burgerlijke “democratie” – parlementaire democratie is ook zeker geen doel voor Marxisten – maar omdat democratische eisen de arbeidersklasse in staat stelt om zich collectief te organiseren, om de arbeidersklasse dus te vormen als klasse. Zo stelde Marx bijvoorbeeld de eis voor een 32 urige werkweek, omdat dit de arbeiders in staat stelde om tijd te hebben voor ontspanning, voor hun gezin, voor hun gemeenschap en dus ook voor het beheer van de maatschappij. Het was dus een economische eis met een democratische boodschap.

 

Een ander voorbeeld is het algemene onderwijs in het gebruik van wapens. Iedereen moet zich bekend maken met het gebruik van wapens. Dit, in eerste instantie, als verdediging van arbeiders op demonstraties, stakingen, etc. tegen de politie. In het geval van Salvador Allende bijvoorbeeld was de arbeidersklasse niet bewapend en kon ze uiteindelijk niets uitrichten tegen de junta coup van Pinochet in een land dat tot dan toe 150 jaar aan parlementair democratische traditie achter de rug had. Ook dit is dus een voorbeeld van zo'n democratische eis.

 

Het doel van dat programma van Marx en Engels was het aan de macht brengen van de arbeidersklasse als collectief, dan kun je spreken van een echt democratische maatschappij. Dan kun je ook werken aan de overgang naar het socialisme en communisme.

 

Hoe ziet die arbeidersstaat er dan uit? Lenin riep in zijn boek al op dat de oude staat volledig moest worden verwoest. De kapitalistische staat is immers de staat die een kleine minderheid aan de macht houdt en daardoor erg top-down georganiseerd is. Wij willen juist een staat die bottom-up is ingericht, waardoor een overgrote meerderheid de mogelijkheid heeft deel te nemen aan het beheer van de samenleving. Een ander aspect is dat hierdoor het verschil tussen tussen “werk” en “leven” op een maatschappelijk niveau verdwijnt. De economie behoort immers toe aan de maatschappij als geheel en kan daardoor ook gepland worden door de maatschappij als geheel naar de behoefte van iedereen.

 

Waarom spreken we dan nog steeds over een staat als de arbeidersklasse de macht overneemt? Na de revolutie is de klassenmaatschappij niet direct verdwenen. De kapitalistische maatschappij bestaat uit verschillende klassen. De “grote” kapitalisten zullen als eerste het onderspit delven na de revolutie, vanwege onteigeningen en nationalisaties. De “kleine” kapitalisten, eenmanszaakjes, etc., en ook de laag van arbeiders die bepaalde monopolies bezit op kennis en vaardigheden, zullen echter nog een periode blijven bestaan en kunnen slechts deel voor deel in de arbeidersklasse worden geassimileerd. Bijvoorbeeld door sterk vergrote mogelijkheden tot volwassenenonderwijs. In deze tijd zal de arbeidersklasse dus bepaalde druk moeten uitoefenen om aan de macht te blijven en te voorkomen dat de maatschappij weer terugschiet naar het kapitalisme of naar een andere tussenvorm, zoals het Stalinisme in de USSR.

 

De staat kan dus niet worden opgeheven, maar moet “afsterven”. Pas als er geen klassenonderscheid meer is in de maatschappij, is er ook geen staat meer, immers er is geen sprake meer van een dominantie van een klasse over een andere. Natuurlijk is er in zo'n democratie, een échte democratie, waarin de overgrote meerderheid aan de macht is veel minder noodzaak tot geweld dan in onze huidige maatschappij waarin een kleine minderheid de boventoon wil blijven voeren boven de overgrote meerderheid.

 

In de tijd van Lenin en de bolsjewieken was de vorm van deze staat een vorm van sovjets, oftewel arbeidersraden. Friedrich Engels had het over de democratische republiek, waarmee hij doelde op de ervaringen van de Commune van Parijs in 1871 vertaald naar een volledige maatschappij. Ik ben er zeker van dat in het tijdperk van instant communicatie er weer een betere manier gevonden kan worden. Een ding staat in ieder geval vast: De kapitalistische staat is de onze niet!