Text Size

“How to be a woman” volgens Caitlin Moran

Toen het boek ‘How to be a woman’ (de Nederlandse vertaling behield de Engelstalige titel) van de Britse Caitlin Moran, columniste voor The Times, uitkwam, lokte dat flink wat aandacht. Verschillende kranten beschreven het als niets minder dan een nieuw “manifest” van het feminisme. Dat is het niet. Het is wel een grappig en bij momenten hilarisch relaas van hoe Morans kijk op het ‘vrouw-zijn’ ontwikkelde tussen de leeftijd van 13 en 35. Het is ook een oproep naar vrouwen toe om feministe te worden en seksisme in al zijn vormen niet te slikken, met een flinke dosis verontwaardiging over de rol van de industrie in het vrouwbeeld vandaag.

Recensie door Anja Deschoemacker

 

Geschreven als een autobiografie van een succesvolle journaliste, behandelt het vooral het kleine dagelijkse seksisme en de impact op hoe vrouwen zichzelf zien. Caitlin Moran heeft niet te lijden gehad onder seksueel geweld. Ze moet ook niet leven van een laag loon waarmee ze nauwelijks de huur kan betalen, laat staan de diensten die nodig zijn om de combinatie werk en gezin voor vrouwen haalbaar te maken. Het boek handelt niet over deze belangrijke thema’s – noch biedt het daar een weg naar een oplossing, een strategie voor verandering op die vlakken – maar over het seksisme die alle vrouwen uit alle klassen raakt.

Het is de moeite om dit te lezen omdat het een verfrissende breuk is met het postfeminisme dat sinds de jaren ’80 dominant is. Neen, we “zijn” er nog niet, we zijn nog maar pas begonnen met het verwerven van een andere positie in de samenleving. Feminisme is dus nodig en het is een zaak van iedere vrouw. Ze stelt vrouwen die hierover twijfelen de volgende vraag: “Welke feministische verworvenheden wil je dan niet meer? Stemrecht? Het recht om te trouwen en te scheiden zoals je wil?”

Het breekt ook met sommige aspecten van het burgerlijk feminisme. Zo gaat ze er als feministe niet van uit dat het om een strijd van vrouwen tegen mannen zou gaan. Maar ze geeft vervolgens geen andere strategieën aan, het gaat ‘em om het verzet van individuele vrouwen tegen de impact van seksistische beeldvorming. Ze komt niet op voor quota, stelt ook niet dat vrouwen de zaken ‘anders’ en ‘beter’ zouden beheren – geen geratel over ‘vrouwen komen van Venus, mannen van Mars’. Maar als er dan een weg vooruit wordt geschetst, gaat het om individuele vrouwen die zich een weg naar de top weten te banen en van daaruit invloed kunnen hebben.

Het is een boek dat vooral jonge vrouwen kan aanspreken omwille van de verontwaardiging over alle normen – schoonheidsnormen, gedragsnormen – die vrouwen worden opgelegd via beeldvorming in de media. Moran legt uit hoe die normen voortvloeien uit het winstbejag van grote bedrijven. Ze stelt dat vrouwen zich niet mogen laten leiden door dergelijke normen, zich minder moeten bezig houden met hoe ze zijn en hoe ze eruit zien. Vrouwen moeten er niet zus of zo uitzien, zich niet zus of zo gedragen, maar moeten hun talenten ontwikkelen en dingen doen om hun doelen te bereiken.

Zeer grappig, met vaak een frisse kijk op de zaken en een vlotte pen. Maar fundamenteel breekt het niet met het oude burgerlijke feminisme, het is er een moderne versie van. Ze verwijst regelmatig naar de loonkloof en het glazen plafond, maar ze ziet niet hoe deze economisch zwakke positie van vrouwen voor velen een onoverkomelijk obstakel is voor hun bevrijding. Met een loon als dat van Moran kun je een privécrèche betalen, een huishoudster, enz. Een scheiding zou voor haar geen financiële ramp zijn, terwijl voor een meerderheid van vrouwen, zeker vrouwen met kinderen, een scheiding vaak tot een daling van de levensstandaard leidt. Het armoedepercentage van alleenstaande moeders spreekt daarover boekdelen.

Moran duidt ook geen verband aan tussen de strijd van vrouwen tegen seksisme en de strijd voor een andere samenleving. De verworvenheden van vrouwen worden voorgesteld als verworvenheden van het feminisme, zonder de rol van de strijd van de arbeidersbeweging voor betere condities voor alle werkenden in rekening te brengen. Ze ziet die rol niet in het verleden, maar ook niet in het heden en de toekomst. Nochtans is de betrokkenheid van vrouwen in die strijd – die ultiem leidt tot de noodzaak van de omverwerping van het systeem waarin enkele grote bedrijven de prioriteit van hun belangen opleggen aan de meerderheid van de wereldbevolking – een absolute noodzaak. De kleine dagelijkse vormen van seksisme kun je weg relativeren, je kunt er met humor op reageren, je kunt beslissen dat je je erdoor niet laat raken. Maar het is als vechten tegen windmolens indien je niet ook de strijd voert tegen het kapitalisme en alle obstakels die het opwerpt voor mensen om zichzelf te zijn, hun talenten te ontwikkelen en actief hun doelen te bereiken.

Kortom: het is een zeer leesbaar boek met een aantal interessante inzichten die breken met het postfeminisme. Het is ook het grappigste feministische boek ooit. Maar een antwoord bieden op waarom vrouwen vandaag nog steeds in een ondergeschikte positie bevinden doet het niet, evenmin als het antwoordt op de vraag hoe we uit die positie raken.

Caitlin Moran, ‘How to be a woman’, Nijgh & Van Ditmar, 2013.