Text Size

Pleidooi voor een socialistisch anti-crisisprogramma voor werkende vrouwen. Deel 3

Vrouwenstrijd!Burgelijke partijen en politici kennen slechts één soort “gelijkheid” voor werkenden: een neergaande spiraal waarbij betere lonen en arbeidsvoorwaarden voor iedereen worden afgebouwd. Bij burgerlijke politici en hun partijen – en reken daar gerust maar de sociaal-democratie (SP.a/PS) en de Groenen (Groen!/Ecolo) bij – is de blijvend slechte economische positie van vrouwen nauwelijks een discussiepunt. Op vaste tijdstippen in het jaar wordt wel nog wat lippendienst bewezen aan de noodzaak om de loonkloof af te bouwen. Maar hier botsen we helemaal op een ander verschil: de burgerlijke politici verdedigen de belangen van het patronaat dat slechts op één manier een “oplossing” kan bedenken voor de loonkloof, namelijk om de werknemers met hogere lonen te laten opdraaien voor de loonverhoging van werknemers met lagere lonen. Het spreekt vanzelf dat LSP zich hiertegen verzet.

Vrouwencommissie LSP

 

4. Echte gelijkheid op de arbeidsmarkt is enkel te verkrijgen door een consequent sociale politiek

Burgelijke partijen en politici kennen slechts één soort “gelijkheid” voor werkenden: een neergaande spiraal waarbij betere lonen en arbeidsvoorwaarden voor iedereen worden afgebouwd.

Bij burgerlijke politici en hun partijen – en reken daar gerust maar de sociaal-democratie (SP.a/PS) en de Groenen (Groen!/Ecolo) bij – is de blijvend slechte economische positie van vrouwen nauwelijks een discussiepunt. Op vaste tijdstippen in het jaar (Nationale Vrouwendag in Vlaanderen op 11/11, Internationale Vrouwendag, Equal Pay Day en heel soms eens in verkiezingscampagnes) wordt wel nog wat lippendienst bewezen aan de noodzaak om de loonkloof af te bouwen. Maar hier botsen we helemaal op een ander verschil: de burgerlijke politici verdedigen de belangen van het patronaat dat slechts op één manier een “oplossing” kan bedenken voor de loonkloof, namelijk om de werknemers met hogere lonen te laten opdraaien voor de loonverhoging van werknemers met lagere lonen. Het spreekt vanzelf dat LSP/PSL zich hiertegen verzet.

Maar spreekt het wel vanzelf? Ook in “linkse” kringen wordt vaak een burgerlijke opvatting van het feminisme gehuldigd (waarbij mannen in het algemeen aan de schandpaal worden genageld, ongeacht hun sociale positie). LSP/PSL plaats zich binnen het feminisme in de stroming van het socialistisch feminisme (of feministisch socialisme). Het socialistisch feminisme legt de voornaamste oorzaken van vrouwenonderdrukking niet in biologische kenmerken, noch in de “macho-mentaliteit”, maar verklaart die macho-mentaliteit juist uit de sociale organisatie van mensen, uit het maatschappelijk systeem waarin we leven. Het is de klassenverdeling binnen de samenleving, waarbij een zeer kleine groep van kapitalisten leeft en floreert op de rug van de werkende meerderheid, die maakt dat de slechte positie van vrouwen in stand wordt gehouden om de simpele reden dat het winst oplevert (door de gratis gezinsarbeid van vrouwen, door de lage lonen van vrouwen en de druk die het zet op alle lonen,...) en verdeling zaait binnen die kracht die in staat zou zijn die kapitalisten van hun positie te verjagen: de arbeidersklasse.

LSP/PSL denkt niet dat fundamentele veranderingen kunnen aangebracht worden in de positie en in de levensvoorwaarden van de grote meerderheid van werkende vrouwen door zaken als positieve discriminatie, quota’s op verkiezingslijsten en voor hogere functies en andere maatregelen in de marge. De oorzaken van de loonkloof zijn slechts ten dele verklaarbaar door botte discriminatie vanwege werkgevers in zowel tewerkstelling, verloning als promotiekansen.

 

Strijd tegen slechte statuten op de arbeidsmarkt

Zoals het loonkloofrapport aantoont, is de loonkloof tussen mannen en vrouwen voor een groot stuk samenlopend met de loonkloof tussen lage en hoge lonen in het algemeen – en dus deels puur te wijten aan de algemene kapitalistische loonwetten. “Vrouwensectoren” zijn vaak sectoren waar veel met laagopgeleide arbeidskrachten wordt gewerkt en/of waarvan de winsten (relatief) beperkt zijn. Om echt iets te doen aan de loonkloof, zou in een aantal sectoren zoals bijvoorbeeld kuisdiensten, de gezondheidsdienst of de sociale sector een inhaaloperatie moeten gebeuren voor de lonen die stukken onder het gemiddelde loon vallen.

Een hoger algemeen minimumloon, creatie van voltijdse jobs die combineerbaar zijn met de zorg voor kinderen, afschaffing van allerlei slechte statuten (o.a. dienstencheques, statuut onthaalmoeders, niet-statutaire jobs in de openbare sector,...) en de omzetting ervan in voltijdse jobs met een contract van onbepaalde duur, inperking van de flexibiliteit tot wat maatschappelijk nuttig is,... zijn een greep uit de maatregelen die nodig zijn om een begin te maken met het afschaffen van de loonkloof.

De burgerlijke politici hebben het daar echter niet over, het probleem is volgens hen immers niet dat de bazen in die sectoren te lage lonen betalen (hoewel de meeste politici voor zo’n lonen nog hun bed niet zouden uitkomen), maar dat vrouwen “foute keuzes” maken. Hun “oplossing” bestaat er dan in vrouwen “beter in te lichten” over de gevolgen van deeltijds werk, loopbaanonderbreking om bij de kinderen te kunnen zijn, studiekeuze, enz. De oorzaak van het “glazen plafond” (de ondervertegenwoordiging van vrouwen in kaderfuncties), maar ook van de lagere pensioenen van vrouwen, ligt er volgens veel van hen in dat “vrouwen nu eenmaal een grotere prioriteit leggen bij het gezin terwijl mannen meer carrièregericht zijn”.

Maar “keuzes” worden gemaakt binnen welbepaalde omstandigheden. Dat het vrouwen zijn die deeltijds gaan werken om kinderzorg en betaalde arbeid te combineren, heeft uiteraard te maken met de maatschappelijke visie op man-vrouw-rollenpatronen, maar ook wanneer binnen het koppel die visie niet bestaat, lijkt het op een moment dat de kosten door gezinsuitbreiding stijgen logischer dat diegene die het minst verdient minder gaat werken. Over het algemeen, maar niet altijd, is dat de vrouw. Op die manier wordt dit klassieke rollenpatroon steeds opnieuw herbevestigd.

 

Uitgebreide rechten op ouderschapsverlof, met doorbetaling van het loon, voor moeders en vaders

Dit fenomeen blijft ook voortbestaan in die landen waar ook mannen uitgebreide rechten hebben op ouderschapsverlof e.d. De enige manier waarop dergelijke aanzetten tot verandering van rollenpatronen zou kunnen werken, is door in de eerste plaats tijdens deze vormen van ouderschapsverlof niet een aalmoes te geven, maar doorbetaling van het volle loon.

Bovendien zou ouderschapsverlof voor beide ouders een verplicht op te nemen verlof moeten zijn, de enige manier om te voorkomen dat bazen hun werknemers chanteren om het niet op te nemen. Enkel op die manier zou de traditioneel mannelijke meerverdiener zijn tijd beter kunnen verdelen over werk en gezin zonder zijn gezin in financiële moeilijkheden te storten. Dit is ook de enige manier waarop een werkende moeder werk en gezin kan combineren zonder een flink stuk van haar pensioen te verliezen. Voor de alleenstaande moeder is dit noodzakelijk om niet in de armoede te verzeilen.

LSP/PSL wil een uitbreiding van het zwangerschapsverlof, zodat vrouwelijke werknemers er niet toe worden aangezet zolang mogelijk voor de bevalling te blijven werken om zoveel mogelijk dagen na de bevalling over te houden. Zes maanden lijkt ons een minimum, gezien zeker de eerste maanden zeer vermoeiend kunnen zijn. Ook voor vaders eisen we een verplicht op te nemen bevallingsverlof van minimum drie maand na de bevalling. Voor beide systemen eisen we doorbetaling van het volle loon.

In ieder gezin met kinderen zijn er momenten waarop het tijdelijk moeilijk gaat en er moeten dus mogelijkheden zijn voor het opnemen van ouderschapsverlof – voor zowel de moeder als de vader - indien dat nodig is. Ook voor die vormen van ouderschapsverlof (voltijds of deeltijds) eisen we doorbetaling van het volle loon.

 

Gratis publieke kinderopvang van goede kwaliteit

Een ander element dat zeker meespeelt, is het gebrek aan betaalbare en kwaliteitsvolle kinderopvang. Dat gebrek is zeker aanwezig voor wat betreft kinderen in de voorschoolse leeftijd – in de meeste grotere steden ga je je best op verschillende plaasten inschrijven vanaf het moment dat je weet dat je zwanger bent. Maar ook met schoolgaande kinderen is het niet evident om op de huidige ultra-flexibele arbeidsmarkt met haar zeer hoge arbeidsritme een voltijdse job aan te houden. Het is geen wonder dat nagenoeg alle werkende moeders in enquêtes gewag maken van tijdsdruk en stress als de voornaamste problemen waarmee ze geconfronteerd worden. <p< De “oplossing” die uit bepaalde liberale kringen komt van 24-uurcrèches of alvast zeer flexibele opvang – steevast gecombineerd met een zeer slecht statuut en loon voor het personeel – kan enkel aanvaard worden als we als enige sociale functie het geld verdienen zien en de andere dan financiële belangen van het kind opzij schuiven. Weinig moeders zullen overtuigd worden om meer uren buitenshuis te werken als dat betekent dat ze hun kinderen ’s morgens om vijf uur uit hun bed moeten plukken om ze bij de opvang af te zetten of ze daar om 23u. ’s avonds op te pikken. En terecht!

 

Openbare diensten voor de opvang van de huishoudelijke taken

De belangrijkste conditie waarbinnen vrouwen “keuzes” maken, is die van het bestaan van een klassenmaatschappij, waarbij een kleine minderheid een zo groot deel van de maatschappelijke rijkdom opstrijkt dat er voor de rest nog slechts wat kruimeltjes overblijven. Een deel van de rijkdom die ze op zak steekt en waarmee ze lustig op de beurzen speculeert, zou door de maatschappij gebruikt kunnen worden om de zorg- en huishoudelijke taken van voornamelijk vrouwen lichter te maken door diensten die hiervoor kunnen instaan en bovendien aan hun personeel een degelijk inkomen en degelijke arbeidsvoorwaarden bieden.

Dat werkende vrouwen dergelijke diensten nodig hebben, wordt meer dan overvloedig aangetoond door het succes van de dienstencheques. De dienstencheques toejuichen als een “stap vooruit” voor werkende vrouwen, doen we met LSP echter niet. Net als met onthaalmoeders wordt met het systeem van de dienstencheques wel mogelijkheden gecreëerd voor werkende vrouwen om de combinatie arbeid-gezin aan te kunnen, maar dan wel met schandalig lage lonen en een schandalig arbeidsstatuut voor de mensen die er werken. LSP vecht ervoor dat dergelijke sectoren openbare diensten worden met vaste statutaire tewerkstelling – vandaag gaat het eerder de omgekeerde kant op: overheidsdiensten worden geprivatiseerd.

Openbare diensten in de vorm van was- en strijkateliers, uitbreiding van thuiskuisdiensten met voldoende aanbod voor alle gezinnen die daar nood aan hebben, aanbod van verse en kwaliteitsvolle maaltijden in de werkplaatsen, scholen en wijken, crèches en andere onthaalstructuren voor kinderen van alle leeftijden, voor zieken, zorgbehoevende bejaarden en mensen met een handicap,... zijn maatregelen die het leven van brede lagen van vrouwen een flink stuk zou verlichten. Het is echter een utopie te denken dat het patronaat voldoende rijkdom naar de samenleving zou laten terugstromen om een dergelijk programma uitgevoerd te krijgen.

 

Kindergeld ter hoogte van de reële kosten van een kind

Hetzelfde geldt voor het beleid rond kinderzorg. Kinderen vallen vandaag bijna exclusief onder de verantwoordelijkheid van de ouders. De overheid komt slechts tussen in die gevallen waarin aanklachten gebeuren van verwaarlozing en mishandeling. En zelfs dan is ze niet in staat die kinderen veiligheid te kunnen garanderen, wat bewezen wordt door de lange wachtlijsten voor opvang waarmee kinderen in een problematische opvoedingssituatie geconfronteerd worden. De diensten die met deze situaties in aanraking komen, schreeuwen al jaren om meer financiële middelen en meer personeel. De reactie van de verantwoordelijke politici blijft echter beperkt tot vage beloftes, herschikking van de middelen en eventueel nu en dan een aalmoes om de openbare opinie te lijmen.

LSP pleit ervoor dat de samenleving kinderzorg opvat als een verantwoordelijkheid van de samenleving en als een noodzakelijke investering in de toekomst. Die zou ervoor moeten zorgen dat ieder kind de kansen krijgt en over de middelen beschikt om zo volledig mogelijk zijn/haar talenten te kunnen ontwikkelen. Een groot deel van de gevallen van kinderverwaarlozing en –mishandeling hebben te maken met een te grote druk op de gezinnen waarin ze leven, soms een te grote werkdruk, soms de druk van bittere armoede, soms die van kinderen die om verschillende redenen meer aandacht nodig hebben,... De overheid laat dergelijke gezinnen vandaag in de steek.

 

Inperking van de flexibiliteit op de arbeidsmarkt tot wat maatschappelijk nuttig is

Een allereerste eis die een begin kan maken met de oplossing hiervoor, is de eis voor kinderbijslag die reëel de kosten van de opvoeding van een kind dekt, gecombineerd met een voldoende aanbod van gratis en kwaliteitsvolle kinderopvang en onderwijs. Zo kunnen ook gezinnen met lage tot gemiddelde inkomens hun kinderen bieden wat ze nodig hebben.

Andere maatregelen moeten de werkdruk en de kwestie van de dubbele dagtaak aanpakken. Een begin zou gemaakt kunnen worden met een drastische arbeidsduurvermindering tot 32 uur per week, zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen, samen met meer uitgebreide rechten voor verschillende vormen van ouderschapsverlof om moeilijke periodes binnen het gezin tot een goed einde te kunnen brengen. Een inperking van de flexibiliteit tot wat maatschappelijk nodig en nuttig is, zou ook al een deel van de druk van de schouders van werkende ouders kunnen halen.

 

Invididualisering van de sociale zekerheids- en OCMW-uitkeringen

Een andere maatregel die nodig is om de armoede van veel ouders en kinderen – en alle problemen die hiermee verbonden zijn - tegen te gaan, is o.a. de individualisering van sociale zekerheids- en OCMW-uitkeringen, gecombineerd met een fikse verhoging van de uitkeringen. Vandaag verliezen langdurige werklozen die samenleven met een partner met een inkomen al snel hun werkloosheidsuitkering, idem voor samenwonende onvrijwillig deeltijds werkenden. Vooral vrouwelijke werklozen worden hierdoor geraakt en komen dan in een situatie van quasi volledige financiële afhankelijkheid van de partner terecht.

Ook koppels die van een OCMW-uitkering leven, worden niet behandeld als individuen die recht hebben op maatschappelijke ondersteuning. Deze politiek toont duidelijk aan dat de overheid financiële afhankelijkheid van de partner geen probleem vindt, integendeel: ze rekent erop om zo de sociale uitgaven van de staat zelf te kunnen beperken.

 

Massaal programma van sociale woningbouw

Ook de huisvestingsproblematiek heeft een beperkende invloed op de onafhankelijkheid van vrouwen. Onderzoeken tonen aan dat de hoge koop- en huurprijzen op de privé-markt, gekoppeld aan een enorm tekort aan sociale huisvesting en binnen het kader van gemiddeld lagere vrouwenlonen, ertoe leiden dat het hebben van een mannelijke partner voor vrouwen de beste strategie tegen armoede is. Met een vrouwenloon of –uitkering dit soort hoge afbetalingen of huur ophoesten, leidt op zijn minst tot een stevige inperking van de koopkracht en is – na de lage lonen en uitkeringen – één van de belangrijkste redenen achter de zeer hoge aantallen alleenstaande moeders die in armoede leven.

Het huisvestingsbeleid in België is altijd een beleid geweest van stimulansen voor de aankoop van een woning, waarbij het leeuwendeel van de middelen werd geinvesteerd in die lagen van de bevolking die het minst ondersteuning nodig hebben. Veel gezinnen moeten een belangrijk deel van hun inkomen investeren in huisvesting, voor gezinnen met een laag tot gemiddeld inkomen betekent dit vaak dat ze in een slechte woning of minstens één met beperkt comfort leven, zonder de noodzakelijke bijkomende middelen om hieraan iets te kunnen verhelpen. In geval van jobverlies riskeert een deel van deze gezinnen bovendien ook hun huis te verliezen. De enige oplossing hiervoor is volgens LSP een massaal programma van sociale woningbouw en stadsrenovatie, waarbij speculatieve leegstand beantwoord moet worden door het aanslaan en het renoveren van die gebouwen om er sociale woningen van te maken. Enkel met een veel groter deel van de woningmarkt die ingenomen wordt door sociale woningen – nu is dat in België een schamele 12% van de markt – zullen ook de huur- en koopprijzen van gezinswoningen onder druk komen.

 

Hogere wettelijke uitkeringen

In dit stuk over de noodzaak aan een sociale politiek kan de schrijnende situatie van grote groepen gepensioneerden niet ontbreken. Terwijl België in de jaren ’60 en ’70 nog bekend stond als een land met uitgebreide sociale voorzieningen – vaak werd het zelfs vernoemd als het land met het “beste sociale zekerheidssysteem”, o.a. door het feit dat voor werkloosheidsuitkeringen terecht geen tijdslimiet werd ingebouwd – is het vandaag genoegzaam bekend dat in ons land zowat de laagste pensioenen worden uitgekeerd in vergelijking met de andere EU-landen.

De armoede van bejaarde mensen zou als een absoluut schandaal moeten worden beschouwd in een land waar de grote bedrijven de laatste 20 jaar de ene na de andere recordwinst hebben geboekt. Niet minder dan 20% van de gepensioneerden leven op of onder de armoedegrens, in de hoofdstad gaat loopt dit zelfs op tot 25%. Ook hier weer worden vrouwelijke gepensioneerden buitenproportioneel getroffen, zeker sinds de gelijkschakeling van het aantal carrièrejaren dat nodig is om een volledig pensioen te genieten. Die gelijkschakeling ging en gaat totaal voorbij aan de sociale functie die moeders vervullen in de opvoeding van de kinderen en in het huishoudelijk werk, een functie waardoor veel vrouwen (tijdelijk) deeltijds gaan werken of zich zelfs enige jaren terugtrekken uit de arbeidsmarkt.

LSP vecht voor een minimumuitkering (werkloosheid, ziekte of handicap, pensioen) van 1.500 euro/maand, een absoluut minimum om relatief comfortabel te leven. Niemand zou bovendien verplicht mogen worden – zij het door loopbaanvereisten of door de lage pensioenen – om door te werken na de leeftijd van 60 jaar. In een heel pak sectoren is 60 jaar zelfs te hoog gemikt en moet een sectoraal bepaalde lagere pensioenleeftijd worden aangenomen. In andere sectoren is 60 jaar haalbaar mits aanpassingen in het werkritme, in de werklast (bijvoorbeeld via het uitoefenen van een andere functie, uiteraard met behoud van loon en ancienniteit) en eventueel in de werktijd. Daar moeten voor individuele werknemers de mogelijkheid tot brugpensioen bestaan.

Dat alles kost geld – meer dan 60% van de huidige gepensioneerden beschikt over een pensioen onder 1.000 euro/maand – maar die middelen zijn aanwezig indien de politieke wil bestaat om ze te zoeken waar ze zich bevinden. Om een einde te maken aan de belastingsverminderingen voor de rijkste lagen van de bevolking, aan de verlagingen van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid, om voor de werkende bevolking een groter deel van de door de werkende bevolking geproduceerde rijkdom op te eisen.

De politieke ontwikkelingen van de laatste 20 à 30 jaar tonen dat geen enkele in het parlement vertegenwoordigde partij hiertoe bereid is – allen hebben ze de neoliberale logica aanvaard dat als je de rijken maar rijk genoeg laat worden, die rijkdom wel naar beneden zal druppelen. Nochtans tonen alle cijfers dat die neoliberale politiek enkel ertoe heeft bijgdragen dat de kloof tussen arm en rijk nog enorm is toegenomen, met enorme gevolgen voor de levensstandaard van grote groepen werkenden en met buitenproportionele gevolgen voor de zwakste groepen van de arbeidersklasse, o.a. vrouwen en migranten, maar ook laaggeschoolden, jongeren en oudere werknemers,...