Text Size

Cuba. De dreiging van kapitalistisch herstel

In september 2010 kondigde de Cubaanse regering een reeks economische “moderniseringen” aan. Onder de belangrijkste maatregelen viel vooral het voorstel om 500.000 banen in de publieke sector te schrappen tegen maart 2011 op. Dat zou een eerste stap zijn om uiteindelijk 1 miljoen banen weg te saneren. De staat geeft toelatingen aan personen om zichzelf te werk te stellen (“cuentapropistas”) met het recht om anderen eveneens te werk te stellen waarbij dit recht niet beperkt blijft tot familieleden.

Deze maatregelen vormen het antwoord van de regering op de slechter wordende economische situatie. De economische problemen leiden tot een slechtere levensstandaard, voedseltekorten en een afbouw van de levenskwaliteit van de massa’s. De “hervormingen” zorgen voor een discussie in Cuba en onder socialisten in de rest van de wereld over de toekomst van Cuba en de geplande economie (die nog grotendeels overeind blijft, ook al is die verzwakt door de bureaucratische maatregelen) met de mogelijkheid van kapitalistisch herstel. Dat zou een nederlaag betekenen voor de arbeiders en de internationale arbeidersbeweging. Het zou ongetwijfeld worden aangegrepen door de kapitalistische klasse, zeker in Latijns-Amerika, om het idee van “socialisme” te discrediteren en te stellen dat kapitalisme het enige mogelijke systeem is.

Het lot van Cuba is dan ook niet enkel van belang voor de Cubaanse bevolking, maar voor alle arbeiders en socialisten in de wereld. In de jaren '90 en in de eerste helft van dit decennium vormden Cuba en daarna ook het Venezuela van Chavez een referentiepunt voor veel arbeiders en jongeren die uitkeken naar een “links” alternatief. Chavez en Cuba waren bereid om in te gaan tegen George Bush en het VS-imperialisme en ze toonden aan dat er een alternatief mogelijk was.

Het kapitalisme is echter niet omver geworpen in Venezuela, ondanks een aantal progressieve hervormingen onder Chavez. Maar de Venezolaanse regering verdedigde net zoals die van Cuba het idee van “socialisme”. In tegenstelling tot Venezuela kent Cuba wel een centraal geplande economie met een wereldwijd aangeprezen gezondheidsstelsel en gratis onderwijs. Het feit dat Cuba wereldwijd duizenden dokters en medische teams inzet na rampen, zoals de aardbeving in Pakistan en Kasjmir, zorgt voor een enorme sympathie onder de onderdrukte lagen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika maar ook onder jongeren in Europa en de VS.

Een kapitalistisch herstel in Cuba zou ongetwijfeld een nieuwe nederlaag vormen, maar niet van dezelfde omvang of met dezelfde gevolgen als de herinvoering van het kapitalisme in de voormalige Sovjetunie en Oost-Europa in 1989/92. Het wereldkapitalisme zit vandaag in een andere situatie. Cuba is uiteraard een stuk kleiner dan de vroegere Sovjetunie en het Oostblok, maar een kapitalistisch herstel zou enorme gevolgen hebben omdat er meer illusies bestaan in Cuba dan in de Sovjetunie ten tijde van de ineenstorting.

Ergste economische crisis sinds de “Speciale Periode”

Het lot van Cuba is belangrijk en omvat enkele cruciale lessen voor alle arbeiders en socialisten. Cuba wordt geconfronteerd met haar ergste economische crisis sinds de “speciale periode” na de ineenstorting van de Sovjetunie. Toen waren er verregaande gevolgen in Cuba. Het BBP stortte in elkaar met een achteruitgang van maar liefst 34%. Er werd een rantsoenering van voedsel ingevoerd waarbij soms slechts een vijfde van de minimale normen van de VN werden bereikt. Volgens bepaalde rapporten was het aantal calorieën dat gemiddeld per dag werd genuttigd afgenomen van 3.052 in 1989 tot 2.099 in 1993. De sociale steun voor de revolutie maakte dat het Cubaanse regime deze periode kon overleven. Dat is zeker het geval na de doorvoering van de Helms-Burton wet in 1996. Daarmee werd het VS-embargo versterkt in een georchestreerde poging om het regime te wurgen en zo ten val te brengen.

Het Cubaanse regime zag zich in deze periode verplicht om een aantal noodmaatregelen te nemen. Een aantal sectoren van de economie, waaronder het toerisme, werden geopend voor de private markt en internationale investeringen. Dat ging samen met andere initiatieven. Later volgden olie-akkoorden met Chavez in Venezuela en kwam er een stabilisatie met een zeker economisch herstel.

Een aantal maatregelen van het regime, vooral de invoering van een parallelle dollareconomie in de toeristische sector, hebben de groeiende ongelijkheden versterkt. Er is een ongelijkheid tussen wie toegang heeft tot de dollareconomie en wie daarbuiten valt. Winkels die aan de dollareconomie verkochten, waren volgepropt met de meest moderne producten terwijl de overheidswinkels die tegen Cubaanse peso’s verkochten amper enige producten hadden.

De economie bleef tussen 2003-2007 groeien, met een piek van 12,1% groei in 2006. Maar sindsdien is er een ernstige economische achteruitgang. Tegen 2008 was er een begrotingstekort van 6,7% van het bbp, dat was 70% meer dan in 2007. Er is een tekort op de betalingsbalans ter waarde van 1,5 miljard dollar. In 2007 was er nog een overschot van 500 miljoen dollar. De buitenlandse schulden namen toe tot 17,82 miljard dollar in 2007, dat is goed voor 45% van het bbp. Het land kon de afbetaling van haar buitenlandse schulden in 2008 niet nakomen. Cuba werd ook hard geraakt door de prijsdalingen voor nikkel, goed voor 25% van de waarde van de Cubaanse export.

De nieuwe maatregelen moeten tegen deze achtergrond worden gezien. Het is ook tegen deze achtergrond dat de sociale voorwaarden voor de massa’s er op achteruit zijn gegaan. In het pakket maatregelen wordt ook een beperking van de voedselimport voorzien. Voor de revolutie van 1959/60 werd 80% van de voedselconsumptie in Cuba in het land zelf voorzien. Vandaag wordt 80% van het voedsel geïmporteerd. Dat toont de ernst van de crisis.

Deze recente ontwikkelingen staan in een schril contract met de enorme sociale en economische verworvenheden vlak na de revolutie. De verworvenheden werden mogelijk door het omverwerpen van het grootgrondbezit en het kapitalisme en de invoering van een centrale planning van de economie.

Verworvenheden van de revolutie en kapitalistisch herstel

Fidel Castro verdedigde in 2008 terecht de verworvenheden van de revolutie toen hij stelde dat de levensverwachting er met ongeveer 19 jaar is op vooruit gegaan. De levensverwachting bedraagt nu 77,5 jaar. De kindersterfte is beperkt tot 6 per 1.000 kinderen in het eerste jaar na de geboorte. Dat is maar iets slechter dan in Canada. Er zijn 30.000 dokters die in meer dan 40 landen actief zijn. Er is een degelijke gezondheidszorg en gratis onderwijs. Het analfabetisme was in de eerste jaren na de revolutie al grotendeels verdwenen. Deze stappen vooruit werden ook in de “speciale periode” behouden.

Veel van deze verworvenheden zouden verdwijnen met de contrarevolutie en het herstel van het kapitalisme. In Rusland zorgde de kapitalistische contrarevolutie ervoor dat de levensverwachtingen van mannen terugviel tot 56 jaar. Kapitalisme in Cuba zou het land economische en sociale voorwaarden brengen zoals in Nicaragua of El Salvador. Dat is vandaag steeds meer een ernstige bedreiging omwille van de economische achteruitgang die plaats vindt.

De redenen voor deze opkomende dreiging moeten ook gezocht worden in het karakter van het Cubaanse regime en het feit dat dit regime niet in staat is om de Cubaanse economie verder te ontwikkelen. Cuba is afhankelijk en een deel van de wereldmarkt. De globalisering van de wereldeconomie maakt dat alle landen onderling verbonden zijn en niet los staan van ontwikkelingen in andere landen. Dit werd in het verleden in Cuba wat weg gemoffeld door de banden met de voormalige Sovjetunie. Sinds de ineenstorting van de Sovjetunie was er een groeiende handel met Venezuela, Canada, China en Spanje (dat zijn de belangrijkste handelspartners), maar dit zorgt er niet voor dat het land immuun werd voor ontwikkelingen in de wereldeconomie. De Cubaanse crisis toont aan hoe onmogelijk het is om socialisme in slechts één land op te bouwen, het wijst op de noodzaak om de revolutie verder te verspreiden om te komen tot een democratische socialistische federatie van Latijns-Amerikaanse en Caraïbische staten om de ontwikkeling van deze economieën democratisch te plannen. Een dergelijke federatie zou kunnen vertrekken van een federatie van Cuba, Bolivia en Venezuela om praktisch aan te duiden wat de mogelijkheden zijn.

Het karakter van de Cubaanse revolutie

De revolutie in Cuba in 1959/60 leidde er uiteindelijk toe dat het kapitalisme en het grootgrondbezit aan de kant werden geschoven en er een centraal geplande economie tot stand kwam. Ondanks de grote steun van de arbeiders en boeren kwam er geen echte arbeidersdemocratie tot stand. In plaats daarvan werd een bureaucratisch staatsapparaat opgebouwd. Op dit vlak verschilde Cuba van de democratie van arbeiders en boeren die tot stand kwam in Rusland in 1917 onder de leiding van Lenin, Trotski en de Bolsjewieken.

Er kwam een bureaucratisch apparaat waar Fidel Castro zich op baseerde. Ondanks de enorme steun onder de bevolking was er een top down bestuur. Er was geen brutaal repressief regime zoals dit het geval was met het stalinistische regime dat uiteindelijk opkwam in Rusland als gevolg van het isolement van de revolutie en Lenin’s overlijden in 1924. De massale zuiveringen en de persoonlijkheidscultus van Rusland onder Stalin waren niet aanwezig in het Cuba van Castro. Er was echter wel enige repressie tegen minderheden en dissidenten. Naast politieke tegenstanders werden ook holebi’s vervolgd. Recent gaf Castro toe dat dit een “fout” was.

Het gebrek aan democratische controle en beheer van de economie door de arbeidersklasse, essentiële elementen om de economie en de samenleving te ontwikkelen, betekende dat de economie dan wel gepland werd maar op een bureaucratische en administratieve wijze met steeds meer tekortkomingen, corruptie en verspilling als resultaat.

Bureaucratie in crisis

In de eerste periode na de revolutie werden deze tekortkomingen deels verborgen door de algemene ontwikkeling van de samenleving en de economie als gevolg van de planning van de economie en de gunstige handelsverhouding met de Sovjetunie. Maar zelfs toen waren er economische bochten, verspilling, corruptie en inefficiënte elementen. Het verlies van de economische steun van de vroegere Sovjetunie en de dieper wordende economische stagnatie en crisis, maakten dat deze elementen sterker op de voorgrond konden treden. Dit ging gepaard met de hernieuwde opkomst van sociale fenomenen zoals prostitutie (dat na de revolutie was verdwenen).

Een geplande economie heeft op ieder ogenblik en op ieder niveau democratische controle nodig om te kunnen functioneren en verder ontwikkelen. Zonder die controle ontstaan bureaucratische privileges, top down methoden en de bijhorende verspilling, corruptie en inefficiëntie die uiteindelijk zorgen voor stagnatie en achteruitgang. Deze elementen waren van bij het begin van de Cubaanse revolutie aanwezig, maar de omvang ervan is nu groter geworden naarmate de crisis intensiever wordt. Leon Trotski waarschuwde voor dit gevaar in de Sovjetunie toen hij de volgende vraag stelde: “Zal de bureaucraat een einde maken aan de arbeidersstaat, of zal de arbeidersklasse de bureaucraat opruimen?”

Een deel van de Cubaanse bureaucratie heeft besloten dat stappen in de richting van kapitalistisch herstel een antwoord bieden op de crisis. Esteban Morales, directeur van het “VS Studiecentrum” aan de universiteit van Havana en een linkse criticus van het regime, waarschuwde in een artikel onder de titel “Corruptie: de ware contrarevolutie” (verschenen op 21 oktober 2010): “Het wordt zonder enige twijfel evident dat er mensen met posities in de regering en de staat zijn die zichzelf financieel voorbereiden op de val van de revolutie, anderen staan zo goed als klaar om de staatsbezittingen naar private handen over te dragen, net zoals dit in de vroegere Sovjetunie gebeurde.” (online: afrocubaweb.com/estebanmorales.htm)

Hij wijst op de verwijdering van generaal Acevedo als directeur van het IACC (Instituut voor Burgerlluchtvaart) zonder duidelijke publieke uitleg. Morales komt tot de conclusie dat een volledige uitleg het regime in de problemen zou brengen omdat het zou moeten uitleggen waarom de mensen die “door de revolutie gecreëerd en gevormd” werden geld verkwisten. Hij stelde ook dat de chefs commissies krijgen en bankrekeningen openen in het buitenland. Morales was een gerespecteerde auteur over de raciale kwestie in Cuba. Na het publiceren van voornoemd artikel werd hij uit de Communistische Partij gezet. Dat geeft aan dat er debat en strijd is binnen de CP, maar ook over de richting die het regime in het algemeen wil uitgaan. Er zijn ongetwijfeld verschillende vleugels binnen de bureaucratie. De meest pro-kapitalistische vleugel staat vooral sterk in het leger en controleert verschillende bedrijven. Raul Castro, Fidels broer, was jarenlang op dat terrein actief.

Sinds hij zijn broer officieel heeft vervangen als staatshoofd, heeft Raul Castro zowat 60% van de ministers vervangen. Hij wil een regering met mensen die dichter bij hem staan. Hij doet pogingen om het Chinese pad te volgen, er waren verschillende vergaderingen en uitwisselingen met het Chinese regime. Hij nam ook de tijd om lessen te trekken uit de ervaringen uit Oost-Europa tijdens een bezoek van de laatste leider van Oost-Duitsland (DDR), Hans Modrow.

“Cuentapropistas” en de geplande economie

Raul Castro kondigde recent aan dat zou worden toegelaten dat mensen zichzelf tewerk stellen. Er zijn ook een aantal wijzigingen in het grondbezit en de mogelijkheid van een beperkte landbouwmarkt die niet onder overheidscontrole valt.

Dit zijn opvallende stappen en het betekent dat een aantal kapitalistische elementen worden ingevoerd, maar het gaat vooralsnog om erg beperkte maatregelen die erg voorzichtig worden ingevoerd. De overheid behoudt haar controle en de centrale elementen van de geplande economie blijven buiten schot.

De “Cuentapropistas” moeten mensen toelaten om voor zichzelf te werken en bedrijven kunnen een aantal werknemers aanwerven. De maatregel is van toepassing op loodgieters, elektriciens, kappers en een aantal andere sectoren. Deze “hervorming” werd ook tijdens de “Speciale Periode” in de jaren 1990 doorgevoerd. Op het hoogtepunt waren er zo’n 200.000 “cuentapropistas”. Deze maatregel werd teruggedraaid door Fidel Castro toen hij de economie opnieuw centraliseerde.

Ook voor de “cuentapropistas” is een toelating door de overheid vereist. Vorig jaar waren er in deze categorie zo’n 143.000 werknemers op een totale arbeidskracht van 5,7 miljoen. Daarbij moet evenwel ook nog rekening worden gehouden met het feit dat heel wat overheidspersoneelsleden na de uren bijklussen om rond te komen.

Er werd een belastingsstelsel ingevoerd voor kleine bedrijven, voorheen was dit niet het geval omdat kleine bedrijven niet werden toegelaten. In 1968 nationaliseerde Castro alle kleine bedrijven op het eiland. Militant, de voorloper van de Socialist Party, en het CWI waren destijds tegen deze maatregel gekant.

De nationalisatie van alle kleine bedrijven, winkels,… versterkte de bureaucratisering en de inefficiëntie in heel wat sectoren. Een democratisch geplande economie moet gebaseerd zijn op het overheidsbezit van de sleutelbedrijven en de banken die de economie domineren. Maar het is niet nodig om iedere kapper of kleine zelfstandige te nationaliseren. De vestiging van lokale coöperatieven die handel drijven met en verbonden zijn met de relevante overheidssector, kan leiden tot een veel efficiënter functioneren van deze economische sectoren.

Deze maatregelen uit 1968 waren deels een reactie op de ontwikkelingen in Oost-Europa, vooral in Tsjechoslowakije, en kwamen er onder druk van de Sovjetbureaucratie. Castro erkende in 2005: “Bij de vele fouten die we hebben gemaakt, was de grootste ongetwijfeld dat we dachten dat iemand echt wist hoe socialisme in elkaar zat”. Hij verwees daarbij naar de Sovjetunie. “Als ze zegden: ‘zo moet het’, dan dachten we dat ze het wel wisten. Alsof het een puur fysische reactie was.”

Het is opvallend dat Fidel Castro deze fout toegeeft, maar het probleem bestond vooral uit het feit dat het alternatief erop niet werd begrepen. Er was nood aan een systeem van echte arbeiderscontrole en –beheer en de verspreiding van de revolutie naar de andere landen van Latijns-Amerika en de Caraïben. Dit gebrek aan begrip kwam voort uit het karakter van de staat na een revolutie waarin de arbeidersklasse niet bewust aan het hoofd van stond.

Het dilemma waarmee Fidel en nu Raul Castro wordt geconfronteerd, is dat ze erkennen dat er een grote crisis is en een probleem van bureaucratisering, maar dat ze bij gebrek aan een alternatief overgaan tot een zig-zagpolitiek om een uitweg uit de crisis te vinden.

De problemen waarmee de huidige hervormingen zullen kampen, bleken eerder al bij de landbouwhervormingen van 2008. Dit was een van de belangrijkste “hervormingspakketten” tot nu toe waarbij braakliggende grond werd overgelaten aan private boeren en coöperatieven. Tegen eind 2009 hadden 100.000 begunstigden in totaal 920.000 hectaren grond verworven, dat is goed voor 54% van de totale landbouwgrond op het eiland.

De eigendom is gewijzigd, maar er werd geen marktsysteem toegelaten voor de aankoop van grondstoffen, materieel of technologie, evenmin voor krediet of de uiteindelijke verkoop. Acopio is het overheidsbedrijf dat verantwoordelijk is voor de aankoop en de distributie. Het staat bekend als corrupt en inefficiënt. Het bedrijf verplicht alle boeren nog steeds om 70% van de opbrengst aan de overheid te verkopen tegen lage prijzen.

De druk voor een kapitalistisch herstel neemt toe, maar het is absoluut niet zeker dat dit proces zal worden vervolledigd. Een belangrijk obstakel voor de Cubaanse bureaucratie is de vrees dat het openen van de economie zal leiden tot een toevloed van geëmigreerde Cubanen die eigendom opeisen, grond en bedrijven die ze uit de handen van het Cubaanse regime weg willen. De bureaucratie zou niet in staat zijn om alle overheidsbezittingen te plunderen zoals de bureaucratie in de voormalige Sovjetunie dit kon. Er wordt gevreesd dat de positie van de bureaucraten eerder vergelijkbaar zou zijn met die van de vroegere stalinisten in Oost-Duitsland. Zij werden gewoon opzij geschoven door het kapitalistische West-Duitsland en de West-Duitse staatsmachine.

Het Cubaanse regime gaat erg voorzichtig en terughoudend te werk. Bij de aankondiging van de recente economische hervormingen benadrukte Raul Castro dat het “socialistische systeem niet ter discussie werd gesteld”. Minister van Economie Marino Murillo, verklaarde dat de rol van de staat beperkt zou worden in de kleine bedrijven, maar dat de overheid “de leiding over een gecentraliseerde economie blijft opnemen”. In de internationale media werd echter meer aandacht geschonken aan een interview dat Fidel Castro gaf aan de Amerikaanse journalist Jeffrey Goldberg waarin hij verklaarde dat het Cubaanse model niet meer werkt.

Er werd gesteld dat Castro hiermee afstand nam van “socialisme”. Maar er werd minder aandacht gegeven aan wat Castro stelde bij het lanceren van het tweede deel van zijn memoires. In dat boek stelt Castro: “Zoals de hele wereld weet ben ik van de opvatting dat het kapitalistische systeem nu niet werkt in de VS of gelijk waar anders ter wereld. Het leidt ons van crisis tot crisis, waarbij de crisis steeds ernstiger wordt.”

Vrees voor sociale crisis en mogelijkheid van hybride regime

Het regime is zelf erg voorzichtig omdat het vreest dat de ontwikkeling van een sociale crisis de situatie uit de hand kan laten lopen waarbij het ook tot een splitsing komt in de bureaucratie en het staatsapparaat. Het Vierde Partijcongres van de Cubaanse Communistische Partij in 1991 werd voorafgegaan door een grootschalig consultatieronde en massabijeenkomsten waaraan in totaal drie miljoen mensen deelnamen. Deze bijeenkomsten waren relatief open en het was een uitdrukking van het feit dat de leiding onder Fidel wilde handelen als bonapartisten waarbij beroep werd gedaan op de massa’s op een ogenblik dat de crisis hard toesloeg.

Na de toespraak van Raul Castro in Camaguey in 2007 werden de resultaten van de “consultaties” onder de bevolking geheim gehouden. De beslissingen over de economische hervormingen werden door een kleine groep genomen. Dat wijst op een gebrek aan vertrouwen en op twijfel onder het regime.

Het is mogelijk dat er verdere stappen worden gezet in de richting van kapitalistische maatregelen terwijl de staat een centrale en machtige rol blijft spelen in de economie. Een hybride regime – met belangrijke elementen van kapitalistisch herstel maar waarbij de staat en het bureaucratische regime een machtige controle-invloed blijven hebben – behoort dan tot de mogelijkheden. In zekere zin zijn er daar nu al elementen van aanwezig.

Dit kan versterkt worden door de dieper wordende wereldwijde economische crisis. Die crisis kan echter ook leiden tot een hernieuwde overheidstussenkomst in die sectoren waarop de greep al wat versoepeld werd. Dat is wat in Cuba gebeurde na de “Speciale Periode”. Het verschil met vandaag is echter dat de economische crisis harder toeslaat en dat er bovendien andere bedreigingen zijn.

Zo is er de groeiende kloof tussen de oudere generatie die de revolutie steunt vanwege de enorme sociale verworvenheden, en aan de andere kant de jongere generatie die onder het huidige regime is opgegroeid. 73% van de Cubaanse bevolking is geboren na de revolutie van 1959. De jongeren raken vervreemd van de revolutie omwille van de bureaucratie, de beperkingen op reizen, het gebrek aan toegang tot het internet, de onderdrukking van muziek,… Dat zet de revolutie onder druk of het leidt alleszins tot een gebrek aan opvolging. Het feit dat Fidel werd opgevolgd door zijn broer Raul vormt daar geen oplossing voor.

De jongeren groeiden op onder een regime dat de tekorten probeert te beheersen en intussen stappen terug zet op het vlak van gezondheidszorg, huisvesting,… Zij vergelijken niet met de situatie voor 1959 en de stappen vooruit in de jaren '60 en '70. De norm voor jongeren is wat er bestond na de “Speciale Periode”. De betrokkenheid van jongeren bij de revolutie is beperkter door het ontbreken van een duidelijk democratisch socialistisch alternatief op het huidige bewind of een perspectief van internationale socialistische revolutie.

Internationaal democratisch socialisme

Het Cubaanse regime komt in een nieuwe fase waarbij de dreiging van kapitalistisch herstel ernstig is. Er werden een aantal belangrijke stappen in die richting gezet, maar zeker geen volledige stappen. De discussies hierover beginnen nu in Cuba en hebben betrekking op de richting die de samenleving moet uitgaan. Het antwoord op de huidige impasse moet niet gezocht worden in de richting van kapitalistisch herstel, maar door het verdedigen van de centraal geplande economie en de invoering van een systeem van echte arbeiderscontrole en –beheer. Het is van cruciaal belang dat alle werkplaatsen vrije verkiezingen kunnen houden voor comités die het dagelijkse beheer van de bedrijven of diensten organiseren. Deze comités moeten nationaal worden gecoördineerd om de volledige economie te plannen, doelstellingen voor de productie op te stellen en een noodplan voor de economie op te maken. Alle vertegenwoordigers moeten worden verkozen en steeds afzetbaar zijn. Ze mogen niet meer verdienen dat het gemiddelde loon van een geschoolde arbeider. De beperkingen op het reizen of op het internet moeten onmiddellijk worden gestopt. Alle arbeiders en jongeren moeten het recht hebben om discussiegroepen te vormen, tendensen op te zetten en politieke partijen (op voorwaarde dat ze niet samenwerken met het imperialisme dat het kapitalisme wil herstellen) naast vrije vakbonden die los staan van de staat. Dat zijn enkele van de democratische veranderingen die dringend nodig zijn, naast onder meer het vrijmaken van de media waarbij de media onder de democratische controle van de arbeiders en jongeren moet staan.

Deze maatregelen zijn dringend nodig, net als het verspreiden van de revolutie en de vorming van een democratisch socialistische federatie met Venezuela en Bolivia als eerste stap in de richting van een socialistische federatie van Latijns-Amerika. Het gezamenlijk plannen van de economie van Cuba, Venezuela en Bolivia in een Democratisch Socialistische Federatie zou de mogelijkheden van een geplande economie kunnen aantonen. Daar moet dringend werk van worden gemaakt als we willen vermijden dat de tendens naar kapitalistisch herstel wordt verder gezet. Deze tendens bedreigt alle verworvenheden van de revolutie. Om die verworvenheden te verdedigen, moeten we bouwen aan een democratische socialistische samenleving gebaseerd op arbeiderscontrole en –beheer.